`Voodoo economics' van servetje

Ronald Reagan had geen verstand van economie, dus omringde hij zich met adviseurs. Die voerden een nieuw beleid in dat de economische praktijk van de Verenigde Staten volledig veranderde.

Ronald Reagan ontleende zijn kennis van overheidsfinanciën aan zijn ervaringen als acteur in Hollywood. Toen hij begon te verdienen op de filmset was het hoogste belastingtarief 90 procent. ,,Je kon vier films maken en dan verdiende je zo'n topinkomen. Dus hield je er na vier films mee op en ging je naar je buitenhuisje'', vertelde Reagan graag. Hoge belastingtarieven ontmoedigden werk, zijn ervaring in Hollywood was daar het bewijs voor.

In 1980 was Reagan, die afgelopen weekeinde op 93-jarige leeftijd overleed, de Republikeinse kandidaat voor de presidentsverkiezingen. Van economie had hij geen verstand, dus omringde hij zich met een groepje jonge adviseurs. Toen Reagan in januari 1981 als 40ste president het Witte Huis betrok, zetten zij zich met zijn goedkeuring aan een radicale omwenteling van de Amerikaanse overheidsfinanciën. Dit economische beleid, dat bekend kwam te staan als aanbodeconomie, zette de gevestigde opvattingen over de staatshuishouding op zijn kop. Het uitgangspunt was simpel: belastingverlagingen leiden tot hogere economische groei en leveren dus uiteindelijk hogere belastinginkomsten op. De toenmalige vice-president George Bush sprak verbluft over `voodoo economics'.

De ideoloog van de aanbodeconomie was de Californische hoogleraar Arthur Laffer. Hij had op een beroemd geworden servetje de Laffer-curve getekend: een grafiekje dat aangaf hoe lagere belastingtarieven een hogere belastingopbrengst geven. Dat was begrijpelijk voor Reagan. In 1981 verlaagde hij de Amerikaanse tarieven voor de inkomstenbelasting met gemiddeld 25 procent.

De aanbodeconomen opereerden als een Gideonsbende. Behalve Laffer was dat Jude Wanniski, een voormalig journalist van de Wall Street Journal en onvermoeibaar pleitbezorger van de herinvoering van de gouden standaard. De opiniepagina van de Wall Street Journal fungeerde als podium voor het economische radicalisme. Jack Kemp, een afgevaardigde uit de staat New York, was de politieke ideoloog in het Congres en binnen het team van Reagan leidden David Stockman als begrotingsdirecteur en Paul Craig Roberts als onderminister van Financiën de strijd. Hun gemeenschappelijke doel was om de verzorgingsstaat te verkleinen, het Congres te dwingen tot bezuinigingen, de inflatie uit te bannen en de belastingen te verlagen. Gezond geld, gezonde begroting en gezonde belastingen – dat waren de ingrediënten van de aanbodeconomie.

Het was een kruistocht tegen de gevestigde economische opvattingen. Sinds John Maynard Keynes in de jaren dertig zijn theorie had ontwikkeld over vergroting van de overheidsuitgaven om recessies te bestrijden, stond het macro-economische beleid in het teken van de vraag. De overheid diende de vraag met extra publieke uitgaven te stimuleren of door belastingverhogingen af te remmen al naar gelang de economische conjunctuur. Dit was het gebruikelijke beleid in alle westerse markteconomiën na de Tweede Wereldoorlog. Ook in de Verenigde Staten, en hiertegen kwamen de aanbodeconomen in verzet. Ze wilden niet de vraag stimuleren, maar het aanbod van arbeid en kapitaal vergroten door werken en investeren aantrekkelijker te maken en door de markt te bevrijden van de wurggreep van de overheid.

Reagan zelf hield het eenvoudig. In een toespraak in 1982 zei hij: ,,Er zijn altijd mensen die je vertellen dat je de belastingen niet kunt verlagen voordat je de uitgaven hebt verlaagd. Wel, weet je, we kunnen onze kinderen de les lezen over hun geldverspilling totdat we schor zijn, we kunnen ze ook korten op hun zakgeld.''

Zo simpel ging het niet in Washington begin jaren tachtig. De president verlaagde weliswaar de belastingen, maar het Congres ging niet akkoord met harde bezuinigingen en Reagan verhoogde bovendien de defensie-uitgaven om de Sovjet-Unie onder druk te zetten. Hierdoor liep het begrotingstekort in snel tempo op. Sommige aanbodeconomen waren van mening dat begrotingstekorten geen enkele betekenis hadden. Ondertussen hield Paul Volcker, de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, de rente hoog om de inflatie uit de economie te wringen. Het gevolg van deze combinatie van hoge rente en oplopende tekorten was een stijgende dollarkoers. De Amerikaanse handelsbalans raakte uit evenwicht, de lopende rekening van de betalingsbalans vertoonde een gapend gat dat werd gedekt door dollars uit het buitenland aan te trekken. Op 8th Avenue in New York installeerde een ondernemer de `National Debt Clock' die met astronomische snelheid de stijging van de buitenlandse schuld van de VS aangaf.

Tegenstanders van de aanbodeconomie – en die waren ruimschoots te vinden onder academici, politici en opieniemakers – voerden de oplopende tekorten onder Reagan aan als bewijs dat het beleid niet deugde. Maar het was de combinatie van de hoge rente en de weigering van het Congres om drastisch te bezuinigen waardoor de overheidsfinanciën uit de hand liepen. De theorie van Laffer dat lagere belastingen leiden tot hogere opbrengsten, bleek namelijk wel te kloppen. Bovendien begon de Amerikaanse economie dankzij de liberalisering aan een gestaag economisch herstel.

Tegen de tijd van de tweede ambtstermijn van Reagan waren de radicale aanbodeconomen met ruzie uit de regering vertrokken. Met andere industrielanden maakten de VS afspraken om de dollar ordelijk in koers te laten dalen. De belastingen werden weer wat verhoogd. Nog veel later, onder president Clinton, boekte de Amerikaanse overheid een overschot op de begroting. De kern van reaganomics, belastingverlaging als economische prikkel, is intussen internationaal aanvaard beleid geworden.