Te vorstelijke rendementen

Is de familie Van Oranje zo'n puike belegger? In Het Oranje-kapitaal geeft Quote-redacteur Philip Dröge een schets van het financiële vermogen van het koninklijk huis en van de bronnen van dat kapitaal. Hij komt op een bedrag van minstens 1,3 miljard euro. Dat geld van de Oranjes is al decennia inzet van speculatie en onderzoek, waarbij vooral Angelsaksische media hoog inzetten. Vorig jaar bijvoorbeeld belde prins Bernhard een redacteur van het Amerikaanse zakenblad Forbes in een geslaagde poging de schatting van het blad te verlagen, van 2,5 miljard naar 250 miljoen dollar. Dröge rept in zijn boek van 215 miljoen dollar. Hij heeft kennelijk dollars en euro's verwisseld. Zo heeft het boek wel meer slordigheden. De auteur van een artikel in De Gids heet eerst Smit, later Schmidt, of zijn het twee personen? Volgens Dröge herstelden beleggers zich binnen een jaar van de schade van de beurskrach van 1929. In werkelijkheid duurde dat 267 maanden. In zijn onderzoek krijgen de zakelijke escapades van prins Bernhard onevenredig veel aandacht voor iemand die niet in gemeenschap van goederen was getrouwd. Het vermogen van Bernhard speelt voor het Oranje-kapitaal dus geen rol.

Ondernemerschap, al dan niet in samenhang met financiële speculatie, is de bron van elk grootkapitaal. De kenmerkende zaken van miljardairs zijn energie, vastgoed en financiële diensten (inclusief speculatie). Zijn de Oranjes de uitzondering die de regel bevestigt? Hun vermogen kan, voor zover bekend, maar op drie manieren zijn vergaard: grootgrondbezit (waardevast, maar laag rendement), beleggingen (onder meer van erfenissen, wisselend rendement) en sparen (laag rendement). Op die manier kan een mens over een langere periode gezien zeker miljonair worden, maar kan hij ook miljardair worden, zoals de Oranjes?

Dröge deed onderzoek in talloze archieven (Bundesarchiv Berlijn, National Archives Washington, Public Record Officie Londen). De basis van het Oranje-kapitaal is de erfenis van Koning Willem III (overleden in 1890), inclusief de opbrengst van de verkoop van het Groothertogdom Luxemburg à 1.364.204,80 gulden na Willems dood.

De rekensom van Dröge die tot 1,3 miljard euro leidde is wel erg eenvoudig uitgevoerd en gebaseerd op twijfelachtige veronderstellingen. Hij maximaliseert de waarde van de beleggingsadviezen die de familie krijgt (`hun uitstekende bankier', `de beste bankiers, fiscalisten, beleggingsspecialisten en juristen') en minimaliseert de beleggingsdebâcles van de twintigste eeuw. Tot en met 1935 becijfert hij de aanwas van het Oranje-vermogen op basis van de spaargeldrente van 4 procent. Daardoor missen de Oranjes de Great Crash van 1929. Na 1935 rekent hij met een rendement van 6 procent en voortdurende herbelegging van dividenden. De opbrengst van 6 procent is gebaseerd op het rendement op Amerikaanse aandelen in de twintigste eeuw. Met andere woorden: hij rekent alsof het hele vermogen in Amerikaanse aandelen is belegd, verder geen spreiding, geen obligaties, alle eieren in één mandje. Het is echter onwaarschijnlijk dat de Oranjes, als zij zulke puike adviezen kregen, voorbij zijn gegaan aan het uitgangspunt van de meeste bonafide financiële adviseurs: spreiding. Dröge zelf noemt zijn rendementsveronderstelling meermalen `conservatief'. Maar Amerikaanse aandelen leverden de vorige eeuw drie keer zoveel op als Nederlandse aandelen bijvoorbeeld. Als de Oranjes wel aan vermogensspreiding deden, en ook in obligaties bleven beleggen, is een veel lager rendement waarschijnlijk, en daarmee een lager vermogen.

Philip Dröge: Het Oranje-kapitaal. Een onderzoek naar het vermogen van de invloedrijkste familie van Nederland. Vassallucci, 239 blz. €14,95