Stoerheid in thrillertaal

Er is weer een nieuwe roman van Pete Dexter. Wie? Pete Dexter. In 1988 won hij de National Book Award voor zijn derde boek Paris Trout, dat drie jaar later verfilmd werd met Dennis Hopper in de rol van de criminele geldschieter die zijn vrouw terroriseert en een twaalfjarig zwart meisje vermoordt. Na Paris Trout bewerkte Dexter ook zijn tweede roman, het cowboyverhaal Deadwood, tot filmscript (Wild Bill, met Jeff Bridges, 1995). Hij schreef originele filmscripts (onder meer Rush, Michael, Mulholland Falls), en leverde nog drie romans af: Brotherly Love, The Paperboy (waarvan de Spaanse regisseur Pedro Almodóvar al jaren roept dat hij het graag wil verfilmen), en nu weer Train.

Toch hebben veel mensen nog nooit van Pete Dexter gehoord en dat is op zichzelf goed voor hun nachtrust, want Dexters binnenwereld is zwarter dan zwart. Mensen worden er niet gewoon een beetje geplaagd maar volledig getiranniseerd door hun verleden, in alle kleine en grote hoeken ligt het noodlot op de loer, ook goedbedoelende mensen doen, per ongeluk of met opzet, de slechtste dingen, en de slechte mensen zijn onbeschrijflijk dom en dierlijk, of erger: slim en dierlijk, gewetenloos, gevaarlijk.

Ja, het is een jungle daarbuiten, dames en heren. En het is een jungle vol mannen. De romans van Dexter spelen zich af in omgevingen vol jongensromantiek: de bokswereld, de onderwereld, het wilde Westen, de keiharde journalistiek. Als er prototypische mannetjes- en vrouwtjesboeken bestaan, hardgekookte stoerheid versus suikerzoete romantiek, dan is Pete Dexter de perfecte vertegenwoordiger van de eerste categorie.

Neem Train. Er komt een vreselijk intelligente en ook nog rijke, dus onafhankelijke politieman in voor, een zwijgzame macho die nare dingen heeft meegemaakt in de oorlog, nooit relaties heeft kunnen aangaan, opgewonden wordt van gevaar en zich op uiteenlopende locaties suf neukt met de jonge, prachtige, eveneens getraumatiseerde dame die hij direct na de moord op haar ook al steenrijke echtgenoot onder zijn hoede heeft genomen. En deze politieman ziet als enige het golftalent van de zwarte caddy genaamd Train, die nauwelijks ergens een balletje mag slaan, en probeert ook hem te helpen.

Ondanks al die clichés is Dexter toch niet louter een clichéschrijver. Train blijkt bijvoorbeeld helemaal geen thriller, ook al is het boek geschreven in van die ouderwets aandoende, kale thrillertaal en ook al wordt er achteloos in gemoord. Die genrebreuk is prettig verrassend. En belangrijker nog: Dexter vult zijn stramienen met mooie of grappige observaties, met originele details. Zo is één jongen geobsedeerd door de aan- en afwezigheid van waterdruk en doucht hij regelmatig met een pak waspoeder onder de sproeiers op de golfcourt. Ook praat hij graag in zichzelf over het stelen van pluimvee.

Verder laat Dexter ergens in het boek een grote boom omhakken, een nogal vet aangezette metafoor voor het idee dat ook sterke, onafhankelijke mannen uiteindelijk op onverwachte wijze te vellen zijn, maar de manier waarop hij de drie Mexicaanse beunhazen beschrijft die dag in, dag uit in hun autootje op geld voor het mislukte zaag- en hakproject zitten te wachten, is dan weer tamelijk briljant.

Pete Dexter: Train. Random House, 280 blz., €32,80 (geb.). De vertaling door Wim Scherpenisse verschijnt in augustus bij Ambo/Anthos, 320 blz., €19,95