Ongemakkelijk, maar saamhorig

`Een echte jood voelt zich superieur aan niet-joden. Ik kan goed begrijpen dat niet-joden daar schijt aan hebben.' `Israël wordt de absolute nagel aan de doodskist van het jodendom.' `Onbekend is onbemind, zéker bij joden.' `Dat joden-onder-elkaar-gevoel vind ik benauwend.' `Ik wil mijn dochter niet in zo'n elitair joods milieutje manoeuvreren.'

Het zijn enkele opvallende uitspraken in Een blijvende band? van sociologe Marlene de Vries. Het is een vervolg op het sociaal-demografische onderzoek De joden in Nederland anno 2000 en geeft een kijkje in de wereld van niet-religieuze, na de oorlog geboren joden in Nederland, een groeiende groep waarover weinig bekend is. Wat voor binding hebben deze joden met het jodendom en welke mechanismen spelen hierbij een rol? Kan die verbondenheid het voortbestaan van de joodse gemeenschap in Nederland – die thans zo'n 43.000 zielen telt – waarborgen? Deze vragen probeert De Vries tegen beter weten in te beantwoorden.

Tegen beter weten in, omdat de relatie die niet-religieuze joden met het jodendom hebben, wordt gekenmerkt door ambivalente gevoelens. Van de dertig joden die De Vries voor haar onderzoek interviewde – twintigers, dertigers en veertigers, van wie sommigen halachisch joods – hebben velen een haat-liefdeverhouding met het jodendom. Zoals Hugo, die de uitspraak van Goethe's Faust (`Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust!') lijkt te personifiëren. Hij moet weinig van het geïnstitutionaliseerde jodendom hebben en ook bepaalde joodse wetten en gebruiken stuiten hem tegen de borst. Maar Hugo voelt zich wel prettig bij `de typisch joodse sfeer' die hij typeert als saamhorig, warm en gezellig.

Een aantal geïnterviewden geeft af op wat zij gekscherend het `Buitenveldert-ghetto' noemen: de kleine wijk op de grens van Amstelveen en Amsterdam waar relatief veel joden wonen en waar ook de joodse middelbare school Maimonides en de lagere school Rosj Pina zijn gevestigd. De in die wijk woonachtige joden – veelal (ultra)orthodoxen – zouden `alleen op zichzelf gericht zijn' en segregatie voorstaan. Maar dezelfde ondervraagden kunnen hoog opgeven van wat zij als het joods-culturele erfgoed omschrijven: de typisch joodse humor, het woordgebruik en de zegswijzen. Niet zelden wordt aangevoerd dat het jodendom niet mag verdwijnen, vanwege de vele prestaties van joden op maatschappelijk, wetenschappelijk en artistiek gebied. Enigszins verbaasd constateert De Vries dat ondervraagden `menen dat [het veelomvattende joodse human capital] genetisch is bepaald.

Dat hun joodse roots de ondervraagden zowel angst inboezemen als gevoelens van trots bezorgen, heeft voor een deel te maken met de Tweede Wereldoorlog, die tijdens de gesprekken vaak ter sprake komt. Zo geeft Alexander, zoon van een joodse vader die tijdens de oorlog drie jaar zat ondergedoken, toe dat hij zich `niet helemaal wil identificeren met een groep die de mogelijkheid heeft om in gevaar te komen'. En Caroline kreeg bij de beelden van de terroristische aanslagen op 11 september meteen associaties met de holocaust. `Dan denk ik: ik ben één van zo'n ras waar ook in één keer alles weer tegen gekeerd kan worden.' De Tweede Wereldoorlog blijkt voor veel van de na de oorlog geboren joden nog altijd reden om de Duitse Autobahn te mijden en geen Duitse producten te kopen. Sommigen vragen zich af op wie ze écht kunnen rekenen als het `erop aankomt'.

Het moet voor De Vries niet gemakkelijk zijn geweest die persoonlijke en conflictueuze gevoelens in kaart te brengen. Want probeer maar eens patronen te ontdekken in al die verhalen. Of om tot een algemene conclusie te komen die het persoonlijke karakter van de verhalen geen geweld aandoet. De Vries' pogingen om de ondervraagden in verschillende categorieën in te delen – `besef van joodse afkomst', `besef van afkomst én cultuur' en `besef van afkomst én cultuur én tradities' – doen wat geforceerd aan. Joden laten zich – anders dan misschien vaak wordt gedacht – niet in hokjes stoppen.

Dat neemt niet weg dat Een blijvende band? het lezen waard is. De meeste ondervraagden zijn openhartig, soms op het pijnlijke af. Zoals Annelies, wier moeder de oorlog als enige van een groot gezin overleefde en nadien in een pleeggezin werd ondergebracht. Tijdens haar studententijd komt Annelies per toeval in contact met de voorzitter van de joodse studentenvereniging Ijar, waarna zij zich langzaam maar zeker in haar eigen achtergrond begint te verdiepen. Op haar 21ste geeft Annelies zich op als lid bij het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK), waarna haar wordt verzocht te bewijzen dat zij geboren is uit een joodse moeder – een gangbare procedure binnen de orthodox-joodse gemeenschap, die voortvloeit uit de `wettelijke' bepaling dat de bloedband wordt doorgegeven via de moeder. Wrang genoeg is het het `overlijdensbericht' van haar beide grootouders uit Auschwitz, dat de doorslag geeft. Het doet Annelies na al die moeite verzuchten dat zij `meer een half kopje leeg dan een half kopje vol is'.

In haar slotbeschouwing concludeert De Vries terecht dat dergelijke verhalen zich meer lenen voor een roman of biografie dan voor een sociologische verhandeling. Dat zij het desondanks heeft aangedurfd valt te prijzen.

Marlene de Vries: Een blijvende band? Niet-religieuze joden en hun binding aan het jodendom. Het Spinhuis, 187 blz, €19,50