Nooteboom, een geval apart?

Bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs is het weer vaak gezegd: Cees Nooteboom werd in Nederland minder gewaardeerd dan in het buitenland. Ook voor NRC Handelsblad gaat dat op. Maar wat vooral opvalt, is de enorme verscheidenheid aan recensenten en daarmee ook aan oordelen.

Nooteboom publiceert al een halve eeuw en dan verslijt je heel wat critici. Toch is bij deze krant het aantal recensenten dat over hem schreef uitzonderlijk. In de laatste 25 jaar waren het er ten minste veertien. Daarnaast schreven nog negen andere redacteuren of medewerkers opiniërende stukken. Alles bij elkaar 23 verschillende geluiden over één schrijver. Het door Nooteboom gemaakte verwijt dat je bij sommige kranten aan één recensent gebakken zit en daar nooit meer vanaf komt, geldt dus niet voor NRC Handelsblad.

Volgens literair redacteur Pieter Steinz zit daar beleid achter. De redactie probeert te vermijden dat dezelfde recensent drie, vier keer achter elkaar over dezelfde auteur schrijft. Dat kan namelijk leiden tot voorspelbaarheid en blinde vlekken. Een andere regel is dat iemand die een boek recenseert geen interview maakt naar aanleiding van datzelfde boek. Dit om te voorkomen dat de recensent zich gebonden voelt in zijn oordeel.

NRC Handelsblad heeft een royale groep van recensenten voor Nederlandse literatuur: vijf voor proza en twee voor poëzie. Dat is meer dan de Volkskrant, die juist hecht aan een klein team, mede om de herkenbaarheid te bevorderen. Maar ook daar wordt wel enige afwisseling nagestreefd.

Vooral bij Nooteboom is de wisseling van recensenten in NRC Handelsblad sterk geweest. Tegenover het voordeel van de frisse kijk staat het nadeel dat elke recensent zich opnieuw in het totale oeuvre moet verdiepen en dat de kennis daarvan oppervlakkig kan zijn. Maar laten we aannemen dat de gemiddelde recensent voldoende van Nooteboom heeft gelezen, om die valkuil te vermijden.

Nooteboom is waarschijnlijk een geval apart. Hij heeft een lange literaire loopbaan en dat leidt tot verschillende – want tijdgebonden – appreciaties. Hij is bovendien een veelzijdig schrijver; ook dat leidt tot verscheidenheid in kritieken. Onder critici bestaat namelijk een zekere specialisatie en dus kunnen voor verschillende genres (reisverhalen, romans, poëzie, toneel en essays) verschillende critici optreden. Het is dan moeilijk na te gaan of bijvoorbeeld de gedichten echt van mindere kwaliteit zijn dan de romans of dat de kritiek negatief uitvalt, omdat een individuele recensent niet van Nootebooms poëzie houdt.

Ondanks alle verschillen is Nooteboom door de meerderheid van recensenten in NRC Handelsblad positief beoordeeld. Wel keren sommige kritiekpunten steeds terug: Nooteboom kan hoogdravend zijn en abstract. Maar hij wordt ook vaak geprezen om zijn kijktalent en beschrijvingskunst.

Sinds bekend werd dat Nooteboom de P.C. Hooftprijs kreeg, heeft deze krant verschillende artikelen aan hem gewijd, waarin de discrepantie tussen binnen- en buitenlandse kritieken ter sprake kwam. Nu lijkt de plaats van Nooteboom in het Europees klassement, ja zelfs in de wereldliteratuur, erkend.

Toch wordt de positieve eindbalans wat deze krant betreft nog altijd verstoord door enkele negatieve recensies, juist over boeken die internationaal als meesterwerken gelden: `Rituelen' (1980), `Berlijnse notities' (1990) en `Allerzielen' (1998). Die negatieve oordelen zijn van verschillende critici: Reinjan Mulder, Bianca Stigter en Arnold Heumakers. Voeg daar twee negatieve besprekingen over Nootebooms poëzie aan toe (een vroege kritiek van wijlen K.L. Poll en een recente van Maarten Doorman) en het wordt duidelijk dat Nooteboom wel enige reden heeft om aan NRC Handelsblad te denken, als hij zich beklaagt over gebrek aan waardering in eigen land.

Het is natuurlijk het goed recht van een criticus een elders bejubeld werk negatief te beoordelen. Maar in het geval van Nooteboom moet je dan wel twee dingen duidelijk maken: hoe die kritiek zich verhoudt tot de vele positieve oordelen die door collega-recensenten in dezelfde krant zijn geveld, en hoe het kan dat buitenlandse collega's zoveel lof hebben voor dezelfde boeken.

Arnold Heumakers heeft daartoe op 21 mei een poging ondernomen in een boeiende beschouwing over het fenomeen `wereldliteratuur'. Hij erkent dat de kritiek, ook de zijne, niet altijd even vriendelijk was, maar vindt in het algemeen het verwijt van miskenning door Nederlandse recensenten toch overdreven. Dat laatste klopt. Zeker in de euforie rond de P.C. Hooftprijs heeft Nooteboom over de vaderlandse critici niet te klagen gehad.

Maar de vraag blijft hoe de enorme variatie in kritieken juist in deze krant verklaard moet worden. Ook al erkent men dat Nooteboom in het ene genre meer uitblinkt dan in het andere en dat een oeuvre zich in de tijd ontwikkelt, dan moet toch vermeden worden dat een schrijver de ene keer wordt geprezen om zijn beschrijvingskunst en de volgende keer gelaakt om zijn abstracties en clichés, nu eens wordt veroordeeld wegens zijn hoogdravendheid, dan weer geroemd om zijn diepgaande beschouwingen.

De tijd is voorbij dat één criticus (Menno ter Braak) via één krant (Het Vaderland) een canon kon ontwikkelen voor binnen- en buitenlandse literatuur samen. De Boekenbijlage van NRC Handelsblad streeft daar ook niet naar. Auteurs mogen onderling van mening verschillen, dat kan zelfs aantrekkelijk zijn. Maar als het gaat om de vraag of een Nederlandse schrijver van internationaal niveau is, mag je tussen recensenten van dezelfde krant enige consensus verwachten. En als iemand daar tegenin gaat – die vrijheid moet er altijd zijn – moet hij of zij met zeer goede argumenten komen.

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist', blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad.

Alle eerdere bijdragen op: www.nrc.nl/krantachteraf