Media nooit echt kritisch over Reagan

Reagan benutte de mogelijkheden van de media optimaal. Zijn acteursverleden speelt daarbij een rol, maar meer nog de volgzame opstelling van de media, meent Mark Hertsgaard.

Ronald Reagan leek vaak onkwetsbaar, vooral in zijn relatie met de Amerikaanse nieuwsmedia. Zijn wapenfeiten als president zijn zelfs niet te begrijpen voor wie geen oog heeft voor de manier waarop hij en zijn adviseurs de nieuwsmedia, vooral de televisie, tot een nationale spreekbuis voor zijn beleid hebben gemaakt. In de meeste necrologieën over Reagan is stilgestaan bij de doorslaggevende rol die public relations speelden in zijn Witte Huis, en inderdaad zijn veel technieken om het nieuws te sturen waarmee pers en publiek nu vertrouwd zijn, door de pr-afdeling van de voormalige acteur geïntroduceerd of geperfectioneerd. De medeplichtigheid van de media bleef daarbij echter meestal onvermeld, misschien omdat de necrologieën geschreven worden door journalisten. Hoewel Reagans Witte Huis niet terugschrok voor nieuwscensuur, met als beruchtste geval de invasie in Grenada in 1983, hadden de media hun tamheid ten tijde van Reagan toch vooral aan zichzelf te wijten.

Adviseurs van Reagan hebben dat beaamd. Reagan werd wel de teflon-president genoemd, omdat kritiek nooit vat op hem kreeg – wat volgens journalisten te danken was aan zijn zonnige karakter. Maar David Gergen, voormalig hoofd communicatie van het Witte Huis, zei mij: ,,Veel [teflon] kwam van de pers. Zij wilden hem helemaal niet zo hard aanpakken.''

Ben Bradlee, voormalig adjunct-hoofdredacteur van de Washington Post, was het daarmee eens: ,,Wij hebben Ronald Reagan billijker behandeld dan alle andere presidenten die ik bij de Post heb meegemaakt.''

In On bended knee, een op interviews met tientallen journalisten, managers van nieuwsdiensten en regeringsfunctionarissen gebaseerd boek over de pers en Reagan, heb ik tal van gevallen van zelfcensuur opgetekend. De leiding van CBS News, dat gold als de meest linkse Amerikaanse televisiemaatschappij, gaf haar vestiging in Washington en met name Witte-Huiscorrespondent Lesley Stahl opdracht om Reagan minder fel te kritiseren, omdat de doorsnee-Amerikaan dat liever niet zou horen. Bij de New York Times werd correspondent Raymond Bonner van Midden-Amerika afgehaald, nadat zijn onthulling over burgers die waren afgemaakt door troepen die door de VS waren opgeleid, de verontwaardiging had gewekt van regeringsfunctionarissen en hun rechtse bondgenoten onder de hoofdartikelenschrijvers van The Wall Street Journal. Een cameraploeg van ABC News maakte opnamen van troepen op weg naar Grenada en hoorde van VS-functionarissen in de regio dat een invasie ophanden was, maar hun baas in New York hechtte meer geloof aan de officieuze ontkenning door het Pentagon dan aan zijn eigen verslaggevers, en hield het bericht tegen.

Meestal had de milde berichtgeving over Reagan minder spectaculaire oorzaken. Dat had onder meer een technische reden: Reagan en zijn pr-mensen wisten hoe zij de gewenste boodschap moesten overbrengen en tegelijkertijd tegemoetkomen aan de honger van de media naar interessante verhalen en aansprekende beelden. Die pr-mensen begrepen hoe belangrijk herhaling is – in een van informatie verzadigde wereld kunnen alleen herhaalde boodschappen door alle ruis heen breken en tot het bewustzijn van het publiek doordringen – en brachten dit inzicht methodisch en vakkundig in praktijk. Reagans public relations werden maanden vooruit gepland, en iedere ochtend bijgesteld tijdens een overleg waarin de `lijn van de dag' werd vastgesteld, die de regeringswoordvoerder dan tegenover de pers trouw herhaalde. De openbare optredens van de president werden zorgvuldig geregisseerd, zodat hij tegen een flatteuze achtergrond verscheen, en zo ver van de verslaggevers dat zij hem geen vragen konden stellen.

Een tweede, dieper liggende oorzaak van de milde berichtgeving was van ideologische aard. In de Verenigde Staten vormen de media de opinie van de massa, maar geven zij doorgaans de opvattingen van de elite weer, en het merendeel van de elite van het land was ofwel aanhanger van Reagan, ofwel bang om hem af te vallen. Dat gold niet alleen voor de bazen van de journalisten die over Reagan schreven, maar ook voor de meeste Democraten in Washington. Als gevolg van de objectiviteitsdoctrine die Amerikaanse reporters ervan weerhoudt de lucht blauw te noemen zolang dit niet officieel bevestigd is, doen zij een beroep op de oppositie voor uitspraken en perspectieven die een tegenwicht moeten bieden aan de beweringen van het Witte Huis. Daarom is de berichtgeving over presidenten doorgaans niet kritischer dan de oppositie.

Doordat de Democraten nalieten Reagan aan de kaak te stellen, was de berichtgeving over hem betrekkelijk onkritisch (net zoals de agressiviteit van de Republikeinen later zou resulteren in betrekkelijk kritische berichten over Bill Clinton). Deze dynamiek kwam Reagan vooral goed te stade in het buitenlandse beleid, waar de Democraten bang waren om door kritiek het imago van slappelingen te krijgen. Dus toen sovjetleider Michail Gorbatsjov eenzijdig de kernproeven opschortte en hij Reagan uitnodigde om hetzelfde te doen, werd hierover in de Verenigde Staten niets bericht. Pas toen Gorbatsjov dit moratorium nog eens en nog eens verlengde, werd het eindelijk genoemd, maar correspondent Sam Donaldson van ABC News deed het af als ,,alleen maar propaganda''.

In het Amerikaanse stelsel van checks and balances is het niet de taak van de media om voor of tegen de president te zijn, maar om de realiteit van het presidentiële beleid – en niet de draai die eraan gegeven wordt – duidelijk te maken, teneinde de burgers een redelijke basis te geven voor hun oordeel over het bestuur. Daarin zijn de Amerikaanse media onder Reagan merendeels tekortgeschoten. Ronald Reagan was niet een simpele creatie van de media, een marionet die als spreekbuis diende van manipulatoren achter de schermen. Hij was een uitgekookt politicus en een begaafd leider, die de politieke macht van de media intuïtief doorhad en ten volle benutte.

Hij had duidelijke ideeën over waarheen hij het land wilde leiden, die hij optimistisch, overtuigend en deemoedig uitdroeg. Daardoor kon hij naast zijn rechtse basis de steun verwerven van het middelste derde deel van de kiezers, dat iedere Amerikaanse president nodig heeft om met succes te kunnen regeren. Ten slotte heeft hij de grondslagen van de Amerikaanse politiek zo ingrijpend veranderd dat zijn anti-overheids-, pro-marktopvattingen een generatie later het overheidsbeleid nog altijd beheersen. In die zin zal hij de geschiedenis ingaan als een van de twee of drie belangrijkste Amerikaanse presidenten van de twintigste eeuw. Maar zonder hulp van de Amerikaanse media zou dit alles hem nooit zijn gelukt.

Mark Hertsgaard, medewerker van `The Nation', is auteur van `On Bended Knee. The Press and the Reagan Presidency' en `De schaduw van de macht. Waarom de rest van de wereld Amerika haat en bewondert'.