Het regenwoud baart toverscheppingstaal

`Ik ben hier om het verhaal te vertellen.' Het staat er, zonder opsmuk, meteen op de eerste bladzijde van het openingsgedicht van de eerste zang van het grote Canto general van Pablo Neruda. `Ik ben hier om het verhaal te vertellen', zegt hij, en dat is wat hij vervolgens, 15 zangen, 350 gedichten, 15.000 versregels, een kleine 700 pagina's lang doet. Hier heeft iemand zich in postuur gezet omdat hij iets te vertellen heeft – die drang valt van elke bladzijde af te lezen. Maar een eenvoudig navertelbaar verhaal is het niet. Het is een dichterlijk verhaal van begin tot eind, `van de vrede van de buffel / tot het gegeselde zand / van het einde van de wereld.' Het verhaalt van de zoektocht naar een mythische vader en een mythische moeder, die zich moeten ophouden ergens `in de opgehoopte / schuimkoppen van het zuidpoollicht, / en in de afgrondelijke holen / van de sombere Venezolaanse vrede'.

Tegelijk is het ook een zoektocht naar een oer-aarde, een beginwereld, een Amerika dat nog niet zo heette, zonder Columbus, zonder `evennachtsmeeldraad'. Wat een woord: evennachtsmeeldraad. Ik werd meteen verliefd op dit boek, en op de twee vertalers (Bart Vonck en Willy Spillebeen), ook al wist en weet ik dan nog niet helemaal zeker wat een evennachtsmeeldraad is: vermoedelijk een Nerudiaans synoniem voor de evennachtslijn, dat is de evenaar. In zo'n evennachtsmeeldraadloze wereld wilde ik wel opgaan. Het was een wereld waarin `de jacaranda-boom schuim hief van overzeese glinsteringen', waarin ten zuiden van de lariksen de donderboom zich aandiende, en `de rode boom, / de doornboom, de moederboom', de rubberboom en `de vermiljoene koraalstruik'. En zo verder.

Dit bleek het begin te zijn van een lange scheppingszang waarin heel Latijns-Amerika als het ware opnieuw gemaakt werd. Zelden las ik iets dat zo overweldigend en groen en vitaal was. Een gedicht als een tropisch regenwoud. Een en al nieuw beeld en nieuwe beeldspraak, in een soort nieuwe toverscheppingstaal, met allerlei samengestelde zintuiglijke waarnemingen. `Maar ik liep tussen Zapoteekse bloemen / en zacht als een hert was het licht, / en als een groen ooglid de schaduw.' Aanroepingen van planten, bomen, dieren, vogels, rivieren, mineralen. Delfstoffenpoëzie! Daar verscheen de koning van het gras, onderwerper van de pampa. Even later diende de miereneter zich aan, `de monachale miereneter betrad / met melodieuze poot het woud'. En daar kwam de guanaco te voorschijn, een soort lama: `de guanaco liep in gouden laarsjes'. In de bomen verschenen enkele `staven groen goud', mooi beeld voor enkele pagegaaien, `en uit hun bolronde oogjes / keek een gele trouwring / die zo oud was als de mineralen.'

Een bonte stoet van schepselen trok voorbij in deze Zuid-Amerikaanse versie van Genesis, en toen bevond ik mij nog maar halverwege de eerste zang. Dat verraste me. Van dit nog nooit door mij gelezen Canto general had ik iets anders verwacht. Minder natuur, meer historie. Minder toekans en kolibries, meer bevrijdingsbeweging. Minder animisme, meer sociaal-economische verhandeling. Ik had, kortom, niet zoveel poëzie verwacht, en niet zoveel vervoering van deze Pablo Neruda (1904-1973), een dichter van wie ik meende dat hij toch vooral als een halve politicus de geschiedenis was ingegaan. Eerst diplomaat, toen senator, toen balling. Overtuigd communist, en zelfs stalinist. Vechter voor de rechten van armen en verdrukten over de hele wereld.

Orakeltaal

Bij een epos van zo iemand verwacht je stevige vakbondspoëzie, ellenlange historische uiteenzettingen, uitgeschreven nietszeggende toespraken over de zegeningen van een irrigatieproject en het instellen van een ondernemingsraad voor de exploitatie van een kopermijn, maar niet een lieve groene ode op het `doopselduister' van de Orinoco-rivier, de `brandkleurige stampers' van de Amazone of een hele zang over de tocht naar de hooggelegen ruïnes van de in 1911 teruggevonden Inca-stad Machu Picchu. En je verwacht al helemaal niet een eigen, tegen het orakelen aanleunende natuurtaal waarin een lyrische vervoering wordt uitgezongen, met de wonderlijkste effecten.

`Zand van Amerika, plechtige aanplant, rode cordillera'. Wie roept nu het zand aan, en nog wel het zand van geheel Amerika? En wie spreekt in dat verband van aanplant, en nog wel van plechtige aanplant? Neruda lijkt soms wel op Gerard Reve, of op Thomas Rosenboom – even vreemd en geestig en grillig. En deze regels zouden zo uit een bundel van Kees Ouwens weggelopen kunnen zijn: `Je onverbiddelijke beslistheid was / de actieve weerstand, het gewapende hart. // De rede was je titanische bouwstof. / De georganiseerde bloem was je structuur.'

Naast de eerste verbazing, dat er in deze Generale Zang zoveel poëzie staat, was er de tweede, hiermee geheel gelijk opgaande verbazing: dat er überhaupt zoveel in dit overweldigende boek staat. De toon is die van iemand die gemakkelijk en snel bedolven raakt door alle indrukken, en de behoefte heeft dat mee te delen. Canto general zou je dan ook het lied van de schepping kunnen noemen, of de zang van de gehele aarde, of de grote deun van het al. Het wil alles benoemen en omarmen en in zich opnemen, zonder al te veel hiërarchie. De simpele opsomming is de meest geëigende stijlfiguur voor zo'n instelling en die is hier dan ook veel te vinden. Zie de indrukwekkende beeldstapelingen in de tientallen regels tellende stamelzang over de hooggelegen Inca-ruïne: `Arend van sterren, wijngaard van mist. / Verloren bastion, blind kromzwaard. / Besterde gordel, plechtig brood. / Stortvloedladder, onmetelijk ooglid. / Driehoekige tuniek, stuifmeel van steen' en zo verder. Vervoering gaat hier al bijna over in raaskallen.

Eregalerij

En dan heb ik het nog niet eens over al die andere, meer prozaïsche onderwerpen die hier ook nog een plaats moesten vinden. Zoals de geschiedenis van Chili. Aanvankelijk wilde Neruda alleen maar een Canto general de Chile schrijven, maar al doende merkte hij dat hij zijn blik moest verruimen. De geschiedenis van heel Latijns-Amerika diende bezongen te worden, en in een epos opgenomen. Ook de oude indianenculturen, de ontdekking van Amerika, de Spaanse veroveraars en de bevrijders moesten een plaats krijgen. Plus de wereldwijde strijd tegen armoe en onderdrukking. Een aanklacht tegen mensonterende arbeidsomstandigheden. Een lofzang op het communisme. Een eregalerij voor enkele vergeten slachtoffers van eeuwen vol oorlog en uitbuiting en dictatuur. Plus een terugblik op zijn eigen bewogen leven tot dat moment. Een testament. En ook nog een vooruitblik op de toekomst.

Zo groeide het grote lied van Chili, gepubliceerd in 1943, in de loop van zeven jaren uit tot het grote lied van heel Latijns-Amerika. Het werd een mythisch scheppingsverhaal, een dichterlijk epos, een geschiedenisboek en een autobiografie ineen. En daarnaast ook nog eens een nuttige encylopedie. Nooit geweten dat de Inca's het cijfer twaalf niet kenden – een van de wonderlijke mededelingen die hier in de aantekeningen te vinden zijn.

Het door vertaler Bart Vonck bijgeleverde glossarium van maar liefst dertig pagina's meldt dat een petrel een zwemvogel is `die tussen de golven in zwemt om zich te voeden.' De zipa is een chicha of inheemse (Colombiaanse) cacique. Ook altijd goed om te weten. En de chuchao is een Chileens zangvogeltje met verkeersinformatie: `als hij rechts van de reiziger zingt, wordt een goede reis voorspeld; maar komt zijn zang van links, dan wacht de reiziger een weg vol hinderlagen.'

Een heerlijk boek, kortom, al zie ik ook wel dat er enige voorbehouden genoteerd dienen te worden. De tegenwerpingen zijn al zo oud als het boek zelf. Dit Canto general is ook wel eens een Canto gebral. De dichter gedraagt zich meer dan eens als de grote ziener, voorganger in de communistische kerk waar hij maar weer eens de schematische aanklachten tegen het grootkapitaal en de veroveringszucht afdraait. Pijnlijk is zijn lof voor Stalin. En verder is hij pathetisch, voorspelbaar en sentimenteel. `Als ik niet dood ben', laat hij een van de vele mishandelden zeggen, `dan is het om jullie te zeggen, kameraden, we moeten vechten.' Neruda is graag de spreekbuis van het onrecht. `Volk, uit het lijden is de orde geboren' houdt hij zijn gemeente voor. En hij weet er alles van, want `ik ben verwant met allen die stierven, ik ben volk, / en voor al dat vergoten bloed draag ik de rouw.'

De gedachte dat hij `volk' is, komt bij Neruda op verschillende plaatsen terug. Het zal wel de wensdroom van iedere communist zijn. `Ik ben geen verre klok', zegt hij ergens, `ik ben / volk, niets anders, verborgen deur, donker brood.' Het is een van die plaatsen waar een coherente mededeling vanzelf overgaat in mooie wartaal, voorzover ik het althans kan beoordelen. Elders gaat het opeens over verlangen, `het verlangen / dat zijn wrede tulpjes optrekt in de nacht.' Mooi, maar wel zeer mysterieus gezegd: optrekkende wrede tulpjes! En in het buitenland, ver weg, vol heimwee, belooft hij in een roezige liefdesverklaring aan zijn vaderland Chili: `Ik zal plukken de schrale flora van het nitraat, / ik zal spinnen de ijzige meeldraad van de klok / en uitziende over je roemrijke eenzame schuim, / zal ik een strandboeket voor je schoonheid vlechten.' Het klinkt prachtig, in deze vertaling, maar is het nog te volgen? Weer een meeldraad, maar nu niet van de evennacht, maar van de klok, ijzig en gesponnen nog wel.

Is het waanzin, megalomanie, droomsurrealisme of gewoon mooie wartaal? Er komen in Canto general tientallen van zulke passages voor, en daarom is er maar zelden onverdeelde waardering voor dit epos. Ook hier zal iedere lezer vanzelf zijn eigen bloemlezing gaan samenstellen en de Canto general zo terugbrengen tot zijn eigen `Canto elemental'. Het zal nog niet meevallen. De grens tussen poëzie en politiek, vervoering en gebral, mooie wartaal en waanzinwartaal is hier dun. Neruda zou zeggen: meeldraaddun.

Pablo Neruda: Canto general. Vertaald door Bart Vonck en Willy Spillebeen. Maarten Muntinga. Rainbow Essential 32. 768 blz., €14,90