Het geluid van ijzer

Vanavond opent het Theaterfestival Oerol op Terschelling met sirenengezang vanaf de laatste klassieke zeesleper ter wereld. Als gewoonlijk zijn er op Terschelling allerlei vormen van technisch theater.

Op het wijde, verlaten Noordzeestrand van Terschelling staat een oude windmolen. Hij knerpt en knarst. De bladen suizen in de wind. Het bouwwerk roept een desolate, dreigende sfeer op. Het bouwsel is hoofdpersoon in een theatervoorstelling die Tegenwind heet, gemaakt door het Brabantse gezelschap Tuig. Het gaat over wind, vergankelijkheid en de schoonheid van vergankelijkheid. Ideeënman en ontwerper Marc van Vliet zegt: ,,Iedereen is bang voor vergankelijkheid, maar dat hoeft niet. Dingen die voorbijgaan zorgen voor verandering en verandering is een goede kracht.''

Van Vliet zit aan de voet van zijn windmolen in het strandzand. Na enige tijd legt hij uit waar de titel Tegenwind naar verwijst: hij bewoont een boerderij bij het Brabantse Schijndel die binnenkort moet verdwijnen. Dan is hij zijn stille plek kwijt. Hij houdt er paarden. Een van die paarden was het middelpunt van zijn eerste voorstelling, in 1998, en gaf hem de naam `Tuig' in voor zijn gezelschap. Vorige zomer maakte Tuig het poëtische Salto Vitale voor Terschellings Oerol: aan de zoom van het bos beklom de acteur, die mecaniciën is geweest, elke voorstelling opnieuw een toren. Hij reisde naar de hemel. Op het hoogtepunt aangekomen ontstak hij een groot vuur. Hij kon niet langer daar in de hoogte blijven en moest naar omlaag. In één sprong, gebroken door de steeds wijdere kringen van een koord waar hij aan vast zat.

Meccano. Ouderwetse constructies van ijzer, schroeven, bouten, hout. De liefde voor materiaal. Kennis van natuurkunde, de wetten van zwaartekracht en zelfs aerodynamica. Kortom: werktuigbouwkunde. Technisch vernuft leidt tot objecten van intrigerende vorm en schoonheid, ook van klank.

Tuig is geen uitzondering op Terschellings Oerol. In het duin kraakt en piept een droommachine. Of we zien een metershoog bouwwerk boven de bossen uitsteken als een kunstwerk van Tinguely of we komen we terecht in het ruim van een schip dat langzaam vol water loopt. De technici treden hier op de voorgrond, met beeldend theater. Zij zijn de schrijvers, bedenkers, ontwerpers, regisseurs achter voorstellingen die een verloren wereld oproepen. Gezelschappen als De Lunatics, de Peer Group van Sjoerd Wagenaar, Tuig, het Engelse Brith Gof en de Fransen die zichzelf Décor Sonore noemen, maken kunst die je het best zou kunnen omschrijven als `heimwee naar de techniek'. Geen abstracte digitale of virtuele wereld, niets computergestuurd, alles heeft de echtheid van een machinekamer waar het ruikt naar olie en waar de zuigers lawaai maken.

Arc de Triomphe

Op een eiland als Terschelling omringt ruimte het theater. Speelt Tegenwind van Tuig zich af aan het Noordzeestrand, de voorstelling van het gezelschap Décor Sonore is gemaakt voor een historisch monument, de zeesleepboot en bergingsjager `Holland', gebouwd in 1950. De boot is afgemeerd bij het havenhoofd waar de witte, ijzeren constructie van de steiger de suggestie geeft van een triomfboog. Zo noemt componist en slagwerker Michel Risse van Décor Sonore de aanlegsteiger, `de Arc de Triomphe van Terschelling'.

Risse is opgeleid als percussionist in Straatsburg. Als kind was hij gefascineerd door geluiden, zonder dat er een instrument aan te pas komt. Hij zegt: ,,Als ik met mijn vingertoppen op een houten tafelblad roffel, dan klinkt er muziek. Eigenlijk heb je geen instrumenten nodig. Ik heb muziek gemaakt met slagwerkers, violisten en harpisten in metrostations, op oude locomotieven en gebouwen. Laat een stok ratelen langs het stalen hekwerk bij de ingang van de metro, en er is klank. Als kleine jongen spande ik elastiek tussen twee vaste punten en ik speelde erop als op een gitaar.''

Bij eerste kennismaking van Risse met de `Holland', de grootste en ook laatste klassieke bergingssleepboot ter wereld, ontdekte hij overal muziek. De kabels van de verstaging zijn snaren. De masten hebben een indringende, diepe resonans. Voor hem is het schip `een drijvende harp, een klavier, een viool'. Het grootste geluidswonder van de boot is de machinekamer. Drieduizend paardenkrachten brengen de tien cilinders en dus twintig zuigers voort. De boot is gebouwd van tachtig ton staal en kan brandende, vastgelopen, half gezonken en anderszins averij opgelopen schepen lostrekken en bergen. Tot in de jaren tachtig bestreek de `Holland' de `wrede gronden' rondom Terschelling en de andere Waddeneilanden. Daar strandden de meeste schepen op onverwachte ondieptes, wegens storm of getijdenstroming.

Risse en zijn medewerkers dalen enthousiast af naar de krachtbron van het schip. Een van de wonderlijkste instrumenten in deze ruimte is een nietige stethoscoop. De machinist gebruikt dit doktersattribuut om onregelmatigheden in de draaiende motor op te sporen. Kapitein Bert Vliegers van de `Holland' zegt: ,,De kleinste hapering in het ritme van de zuigers kan fataal zijn. De geluiden van wind, golven, motor en zelfs de signalen van de radio zijn voor een kapitein veelbetekenend. Vaak vaar je uit bij mist, storm of slecht zicht, want dan doen zich de meeste ongelukken voor. Je moet dan vertrouwen op het gehoor. Gaat het in de machinekamer bonken en piepen, dan is het mis.''

Voor Michel Risse betekent de zeesleper `lyriek en industriële schoonheid'. Onderdelen van zijn compositie zijn een samenspel tussen misthoorns en een serenade die `sirenenzang' heet.

Nauw verbonden met deze voorstelling van Décor Sonore is 6° (Zes Graden) van Kees Roorda. Hij interviewde Terschellingers over heden en verleden. Zijn voorstelling speelt zich af in een duistere ruimte, waar de toeschouwer luistert naar de stemmen van goeddeels onzichtbare acteurs. In dit intieme theater klinken opeens schuifelende voeten op de maten van een wals, net zoals er gedanst werd tijdens de ondergang van de `Titanic'. Een van de geïnterviewden is een voormalig stuurman op de `Holland'. Zijn tekst gaat als volgt: ,,Hartje winter. Harde oostenwind. Laag water. IJs. Een vuurdoop. Kun je wel zeggen. Nou, we kwamen van de steiger af. In het midden van de haven zaten we al aan de grond. Bij oostenwind, storm, loopt de Waddenzee leeg. Geen druppeltje water komt er meer in.''

Zowel in 6° als bij Décor Sonore klinken vele stemmen, of het nu de stem is van een mast, scheepshoorn of van een acteur. Roorda creëert een `zee van stemmen', zoals hij het noemt, `een geluidsdecor waarin behalve verhalen ook verzuchtingen te horen zijn en fluisteringen'. De techniek van zendmicrofoon en luidspreker helpt hem de menselijke stem door de ruimte te laten gaan, losgezongen van de acteur. Je kunt spreken van een `sonoor decor', een helder klinkende achtergrond waarin uiteenlopende klanken een muzikale of vocale eenheid vormen.

Ook Marc van Vliet werkt in Tegenwind met geluiden die zijn machinerie voortbrengt. Ik herken het roestige geluid van ijzer op ijzer van Salto Vitale. Van Vliet zegt: ,,Ik heb een ambachtsverleden, ik maakte altijd dingen met mijn handen. IJzer is het eerste materiaal dat de mens zelf schiep en kon bewerken naar zijn inzicht en verbeelding.''

Blaasbalg

Tegenwind beschrijft het leven van een eenzame man, een smid, die zich verschanst in zijn bouwwerk. Het begint na zonsondergang wanneer er `helemaal niets is', aldus de regisseur, `alleen deze zandvlakte bij Kaap Hoorn en in de verte het ruisen van de zee'. De smid wakkert het vuur in zijn smidse aan met een blaasbalg. Van Vliet: ,,Je zou hem kunnen vergelijken met Prometheus. Dit theater komt dicht bij beeldende kunst. Als je de molen daar geïsoleerd ziet staan, dan verliest hij zijn technische of industriële betekenis en verandert in een kunstwerk. Het strand maakt het object eenzaam. Je gaat er verhalen bij verzinnen. De man ontkomt niet aan het lot van vergankelijkheid. Tenslotte stort zijn toren in.''

Marc van Vliet: ,,Met het technische theater dat wij maken reizen we naar festivals in Frankrijk, Spanje, Oostenrijk of Noorwegen. In het Frans heet dit genre `art publique'. Het staat tegenover het reguliere aanbod in de schouwburg, met muren, gordijnen en decors. Hoeveel theater wordt er tegenwoordig niet gemaakt in oude fabriekshallen, waar door onze grootvaders werd gewerkt? Dat geeft een extra dimensie. Wat mij opvalt aan de festivals van `art publique' is de fantasie, geïnspireerd door ijzer en hout. Ik geloof dat er een verlangen is naar het oude, bijna verloren gegane handwerk.''

Van Vliet wijst omhoog naar de molen. ,,Kijk, twee vanen. De een draait de kop van de molen naar de wind toe. De ander vormt een zodanige hoek met de wind dat hij die kop weer wegdrukt. Die twee krachten houden elkaar in stand en zorgen ervoor dat de wind onder een iets schuine hoek binnenvalt. Dat is de volmaakte positie om de molen te laten draaien. Deze kennis heb ik van een molenaar, een zowat uitgestorven beroep. Het is mooi dat kunst terug kan grijpen op ambachten uit het verleden en die daardoor kan bestendigen.''

Verlangen naar kennis uit het verleden kenmerkt ook de muziekvoorstelling op de `Holland' van Décor Sonore. Michel Risse bevestigt op verschillende plaatsen microfoons, hij registreert geluid en neemt het op. Vervolgens componeert hij de scheepsklanken tot een geheel. ,,Staal is een ideale geleider van geluiden'', legt hij uit, rondlopend met stethoscoop en plakmicrofoons. ,,Ook water geleidt goed. Watergeluiden zijn fascinerend, bijvoorbeeld het slaan van de schroef. Dat ruist. Zeelieden herkenden vroeger een schip aan het geluid. Ik heb een kapitein gekend die van scheepsmotoren geluidsopnamen maakte. Die draaide hij af in het café. Elke boot werd onmiddellijk herkend. In de klassieke muziek werk je met noten, ik werk met tonen. Elk object dat op aarde bestaat, heeft een klankkleur. We hebben een voorstelling gemaakt die Concerto pour locomotive heet, gemaakt op het station van St. Sébastien-sur-Loire. De oude locomotief lieten we draaien en stoom afblazen, de fluit snerpte, we gebruikten de huid van het ding als slagwerkinstrument. De ontroering bij het publiek was groot, het verleden herleefde. Dat is begrijpelijk: wie kent nog het geluid van een typemachine? Wat hadden die een prachtige ritmiek.''

Risse geeft aanwijzingen om een ijzeren kabel te verbinden met de mast. Een muzikant tokkelt erop, niet eens erg krachtig. De trillingen klinken door het hele schip. De mast geeft een lichtere klank dan het plaatstaal van de opbouw. Op gezag van de kapitein start de machinist de motoren. De zeesleper, gemaakt om bij windkracht tien uit te varen, verandert in een reusachtig instrument. Luister naar het ritme van de cilinders. Als dat geen prachtig basso ostinato is. Een sleepboot is orkest geworden.

Terschellings Oerol 2004. Niemandsland. 11 t/m 20/6. Inl.: 0562-448448 of www.oerol.nl