Het als-dan onder de als-dannen

Elk waar oorlogsverhaal is een smerig verhaal, omdat oorlog pornografie is.

In een radioprogramma hoorde ik twee historici neerbuigend doen over de film Troy. Ze waren er helemaal giechelig van geworden, maar ook een beetje boos. Alsof ze door de redactie naar een bordeel waren gestuurd of een houseparty, een vol strand of een andere plek waar hun dode zinnen geprikkeld zouden kunnen worden. Zelf zouden ze natuurlijk maar dan ook nooit op het idee zijn gekomen naar zoiets toe te gaan. ,,Nou, een hele zit, met al dat wapengekletter'', zei de een besmuikt. ,,Een slechte, waardeloze film'', bitste de ander – op een toon waarmee vaders vroeger `bah!' zeiden terwijl ze een singletje van de Stones van de pick-up gristen en voor de ogen van hun kinderen doormidden braken.

Ik had hem ook gezien, Troy, en natuurlijk was er vanuit dit-en-dat-oogpunt en de Ilias kennende en zo van alles en nog wat op aan te merken: het weglaten van de goden, de schaapachtigheid van Helena, het schrappen van bijna alle andere vrouwenrollen (Kassandra, Hekabe, Andromache), de krijgskundige anachronismen, de plichtmatigheid van de afronding met Het Paard, om nog maar te zwijgen van de wezenloze dialogen en de bombast van de muziek. Het is in de commentaren allemaal ruimschoots aan bod gekomen. Maar hé, dit is Hollywood, weet je, geen proefschrift. Er zaten niet alleen prachtige massa- en gevechtsscènes in – die bij Homerus minstens de helft van het aantal bladzijden innemen – maar ook een aantal persoonlijke confrontaties op het scherp van de snede: Achilles en Agamemnon, Achilles en Hektor, Achilles en Priamos. Maar nee, ze wilden er niet van horen, de historici, want Brad Pitt, nou ja zeg, alsjeblieft, Brad Pitt.

Terwijl ik zat te luisteren ging de telefoon. Ik wachtte tot het antwoordapparaat aansloeg. Eerst mijn stem, toen die van een vriendin die ik beloofd had te zullen bellen. ,,Roel'', zei de stem, ,,als je er bent, neem dan op.'' En na een korte pauze opnieuw: ,,Roel, ben je daar? Als je er bent, neem dan op.'' En na nog een pauze en een zucht: ,,Oké, je bent er dus niet. Ik probeer het later nog wel een keer.'' Al die tijd was ik roerloos in mijn stoel blijven zitten, tegelijk gefascineerd en verbijsterd door mijn onwil te bewegen alsof een blinde zijn hoofd om de deur had gestoken en ik mij zo stil mogelijk hield in de hoop dat hij weer weg zou gaan maar bij dat `later nog wel een keer' schoot ik alsnog naar voren om de hoorn op te nemen. Te laat, ze was al weg en ik opeens ook. Er deed iets `poef' en ik was lucht. Allemaal door dat ene zinnetje. ,,Als je er bent, neem dan op'', had ze gezegd – woorden die niet alleen kortsluiting in de privé-vertrekken van mijn kop veroorzaakten, maar op een of andere manier ook een duizelingwekkende waarheid over het hoe en wat en waarom van ons tijdsgewricht bevatten. Wie wij zijn, hoe wij met elkaar omgaan, wat we tegen elkaar zeggen. ,,Als je er bent, neem dan op'' – een heel leven afgekort tot een zichzelf vicieus in de staart bijtend raadsel. Het `als-dan' onder de `als-dannen'. Op dezelfde manier als er een wereld van verschil kan bestaan tussen iemand de waarheid en iemand een geheim vertellen.

Bubbelbad

Ik had niet opgenomen en nu was ik er dus niet of althans in sterk verminderde mate, minstens minus één dimensie. De rest van mij bevond zich in een parallel universum – één waarin ik de telefoon wel op tijd had opgenomen. En zo komen er dus elke seconde een oneindig aantal universa bij, als bubbels in een bubbelbad.

Terwijl ik de benepen historici met een druk op de knop precies tussen een `Ach-' en een `-illes' de mond snoerde, schoot me een songtekst van Bob Dylan te binnen: ,,Achilles is in your alleyway/ He don't want me here/ He does brag/ He's pointing to the sky/ And he's hungry, like a man in drag/ How come you get someone like him to be your guard?/ You know I want your lovin'/ Honey, but you're so hard.'' Via wat voor vreemde wegen en al dan niet opgenomen telefoontjes was de snelvoetige Griekse superheld als ordinaire lijfwacht in die steeg beland? Een uitzendbureau voor halve godenzonen? De klaaglijke melodie van Dylans Temporary Like Achilles neuriënd begon ik te bladeren in de stripversie van Homerus zoals ik die sinds het gymnasium in mijn hoofd heb zitten.

De Grieken hangen al jaren voor de muren van Troje rond wanneer ze van hogerhand de pest op hun dak krijgen – die hun toch al verzwakte gelederen tot op de draad uitdunt. Om de goden zo ver te krijgen dat ze de epidemie een halt toe te roepen, moet koning Agamemnon zijn favoriete slavin Chriseis inleveren. Uit pure kinnesinne vordert hij daarop, tegen alle huisregels van de oorlog in, als zijn nieuwe speeltje Briseis, de persoonlijke favoriet van Achilles – die vervolgens weigert om verder nog een poot op het slagveld uit te steken. Van mokkenstein. Zonder hun topkiller krijgen de Grieken ongenadig klop – zozeer zelfs dat Achilles' boezemvriend Patroklos, die het niet langer kan aanzien, zich stiekem in Achilles' wapenrusting steekt en prompt op het slagveld door de helmboswuivende Hektor aan het zwaard wordt geregen. Gek van verdriet gaat Achilles daarop compleet over de rooie. Hij lapt alle erecodes aan zijn laars, slacht Hektor en sleept zijn lijk als oud vuil achter zijn wagen voor de stadsmuren heen en weer. Dat hij Priamus ten lange leste toestemming verleent zijn zoon op gepaste wijze te begraven is het gebaar van de ene verdoemde aan de andere.

Zo heb ik de Ilias altijd begrepen: als het verhaal van de verruïnering van het karakter van Achilles, van alles wat zijn persoonlijkheid bijeenhield. Door de rotstreek van Agamemnon had hij al het geloof in de zaak waarvoor hij vocht verloren, maar in zijn door verdriet en schuldgevoel over de dood van zijn vriend opgewekte razernij raakte hij ook zijn laatste restje menselijkheid kwijt. Algemener gezegd Achilles is tenslotte een soort `universal supersoldier' – is de Ilias een tijdloze poëtische verbeelding van wat ervaringen op het slagveld met een soldaat kunnen doen. Zijn menselijkheid wordt opgeofferd aan de grillen van wie er op dat moment maar aan de macht zijn: goden, koningen, politici, bevelhebbers. Een schrijnend voorbeeld daarvan in de Ilias is het moment dat Paris en Menelaos, respectievelijk de schaker en bedrogen echtgenoot van Helena, met instemming van beide moegestreden kampen een duel uitvechten om zo, na negen jaar moord en doodslag, nog redelijk vreedzaam de oorlog te kunnen beslechten.

Onderspit

Maar wanneer Paris het onderspit dreigt te delven, goochelt Aphrodite hem snel van het slagveld af. Iets met een wolk. De Grieken claimen daarop de overwinning en bieden de Trojanen een eervolle nederlaag dit zeer tegen de zin van Hera en Athene, die zich nu eenmaal in hun goddelijke kop hadden gezet dat er van de stad en haar bevolking geen spaan heel mag blijven, en van Zeus – die alleen maar van het gezeur af wil zijn – toestemming krijgen het zo te regelen dat een sluipschutter Menelaos een pijl door zijn bast schiet. Waarop de hel opnieuw losbreekt.

Tijdens de oorlog in Vietnam – en nu in Irak misschien weer – stonden de `powers that be' bekend als REMFS: `rear-echelon motherfuckers', oftewel `achterhoede-klootzakken'. Elke keer dat ze ademhalen liegen ze, deze `AKS', en nog wel het meest flagrant wanneer ze hun zelfrechtvaardigende toespraken besluiten met het quasi-geruststellende eind goed, al goed van de `uiteindelijke triomf van de menselijke spirit'.

De Ilias eindigt in rouw, en zo hoort het ook. Want, zoals Vietnamveteraan/schrijver Tim O'Brien schreef in zijn roman The Things They Carried: ,,Een waar oorlogsverhaal is zonder moraal. Het is niet educatief, zet niet aan tot heldendaden, vertelt niet hoe je je moet gedragen, en weerhoudt je er niet van om te doen wat mensen altijd hebben gedaan. Als een verhaal een moraal heeft, is het een leugen. Als je je aan het eind van een oorlogsverhaal gesticht voelt, of als je het idee hebt gekregen dat er toch nog een klein beetje rechtschapenheid uit de rotzooi is gered, ben je het slachtoffer van een hele oude en verschrikkelijke leugen. Niks rechtschapenheid. Niks deugdzaamheid. Een waar oorlogsverhaal herken je aan de absolute en onwrikbare loyaliteit ten opzichte van alles wat obsceen is en slecht. Een waar oorlogsverhaal brengt je het schaamrood op de kaken. Als je niets van obsceniteiten moet hebben, moet je niets hebben van de waarheid; als je niets van de waarheid moet hebben, kijk dan goed uit op wie je stemt. Als je soldaten de oorlog instuurt, komen ze vuilbekkend thuis.''

Ik sloeg in gedachten de Ilias dicht.

Elk waar oorlogsverhaal is een smerig verhaal, omdat oorlog pornografie is. Zie de foto's uit de Abu Ghraib-gevangenis bij Bagdad.

In de verwachting dat de historici inmiddels wel het veld zouden hebben geruimd wilde ik de radio weer aan te zetten. Toen ik opstond ging opnieuw de telefoon.