Goede sms'jes maak je zo

Liesbeth Koenen en Rik Smits zijn eigengereide, eigenwijze taalkundigen. Het is niet altijd en overal een voordeel om zó eigenwijs te zijn, maar wel als je tot doel hebt om een fris, nieuw handboek voor het Nederlands te schrijven, een handboek dat zich nauwelijks iets aantrekt van de vele andere schrijfwijzers, stijlgidsen, taalgidsen en vraagbaken die er al op de markt zijn. In 1995 kwamen Koenen en Smits met hun Basishandleiding Nederlands. Na vijf edities was de rek eruit en daarom stelden zij, voortbouwend op de Basishandleiding, een nieuw boek samen dat breder van opzet is, het Handboek Nederlands.

Dit Handboek is in diverse opzichten een bijzonder boek. In de eerste plaats vanwege het enorme aantal onderwerpen dat in vierhonderd bladzijden wordt behandeld. Het boek is verdeeld in acht rubrieken. Na een algemene inleiding over onder andere de geschiedenis van het Nederlands en de kunst van het correct citeren, lezen we over: soorten teksten, woorden, zinnen, spelling en interpunctie, stijl, taalgroei, taalproblemen en taal en computer.

Hoezeer Koenen en Smits afwijken van de gangbare gidsen blijkt het best uit de rubriek `tekstsoorten'. Hierin geven zij niet alleen allerlei praktische tips voor het schrijven van verhalen, artikelen, rapporten en notulen, maar in korte en duidelijke hoofdstukjes leggen zij ook uit hoe je een ingezonden brief moet schrijven, wat de kenmerken zijn van een goed sms'je, hoe je een goed persbericht moet maken, wat je moet doen (en laten!) als je spreekt op iemands begrafenis of crematie, hoe je een overlijdensadvertentie opstelt en hoe je een goede condoleancebrief schrijft. Alle tips die ze geven zijn helder, zinnig en goed te begrijpen. Bovendien zijn ze vaak ook nog geestig. Zo schrijven zij, over het maken van een overlijdensadvertentie: `Voorkom dat u onbedoeld grappig bent. Schrijft u: ``Genietend van zijn pensioen nam God tot zich'', dan meldt u dat het opperwezen tot zijn genoegen gestopt is met werken.'

De praktijk was steeds het uitgangspunt bij de keuze van de onderwerpen. Je komt van alles te weten over woordsoorten, soorten zinnen en zinsdelen, maar alleen als je daar wat aan hebt bij het schrijven. `We vallen u niet lastig met de dubbelverbonden voorwerpsbepaling, waar u in het dagelijks leven niets aan heeft.'

Koenen en Smits beperken zich doorgaans tot de essentie. In drie bladzijden schrijven zij over het nut van woordenboeken, in twee pagina's lichten zij de betekenis van de voornaamste grammaticale termen toe en in één bladzijde wordt uitgelegd wat etymologie is. Slechts op één plaats in hun boek zondigen Koenen en Smits tegen hun eigen regels. Als de nieuwe spellingregels voor de tussen-n aan bod komen, zijn zij opeens niet meer zakelijk, kort en bondig en gericht op de praktijk. Hier lezen we opeens over commissieleden die bij de presentatie van het nieuwe Groene Boekje in een hoekje bij elkaar zaten geklit `onder een rafelig vaandel waarop nog net hun strijdkreet van destijds te lezen is: ``Wij weten te weinig van spellen, lezen en schrijven om verantwoord veranderingen voor te stellen, maar we hebben nu eenmaal de opdracht aangenomen''.' Hier zien we de auteurs als boze, schoppende taalkundigen die zich niet kunnen beheersen. Laten we het houden op een schoonheidsfoutje in een boek dat verder vanwege z'n stijl, aanpak, rijkdom aan onderwerpen en praktijkgerichtheid zeer de moeite waard is.

Liesbeth Koenen en Rik Smits: Handboek Nederlands. Erven J. Bijleveld, 400 blz. €21,50