Europese agenda

Erik Wesselius stelt in zijn artikel in NRC Handelsblad van 1 juni ten onrechte, dat de lobby van het bedrijfsleven de Europese agenda naar zijn hand zet, en gekortwiekt moet worden. Bij veel punten op die agenda, zoals de Europese grondwet, komt het bedrijfsleven niet aan bod. Dat is wél zo bij onderwerpen die van rechtstreeks belang zijn voor dat bedrijfsleven. Die onderwerpen, zoals de handelspolitiek en het milieubeleid, worden vanouds in Brussel behandeld. Natuurlijk wil het bedrijfsleven daarbij op de eerste rij zitten.

Er is geen belang gediend met het verscherpen van de EU-regels voor lobbyisten, zoals Wesselius bepleit. Zijn voorbeeld van de Amerikaanse Lobby Disclosure Act maakt dat duidelijk. Er is geen land in de wereld waar de lobby zo hard en met zoveel inzet van geld wordt gevoerd als juist in de VS. De door die wet opgelegde halfjaarlijkse meldingsplicht van contacten heeft dat niet kunnen vermijden. Wij moeten in Europa niet die richting uit.

Veel belangrijker is het dat de lobbyisten hun eigen gedragsregels ontwikkelen, en ook toepassen. De door Wesselius genoemde beroepsvereniging van Europese lobbyisten SEAP, waarvan ik voorzitter ben, is precies daarmee bezig.

De SEAP-gedragscode bevat regels die de transparantie in het contact met de beleidsmakers vooropstellen. Onze leden, en de meeste lobbyisten in Brussel, verstoppen zich niet achter ,,misleidende mantelorganisaties'', maar geven hun identiteit, en het belang dat zij vertegenwoordigen vanaf het eerste contact aan. Veel lobbyisten vertegenwoordigen Europese brancheorganisaties (in mijn geval de keramische industrie), zodat er geen misverstand kán bestaan over het belang dat vertegenwoordigd wordt.

In de vertechnocratiseerde moderne democratie kan de lobbyist niet gemist worden als bron van informatie voor de beleidsmakers. Dat is zeker zo in `Brussel', dat wat verder afstaat van de praktijk dan de nationale overheden.