Een dag van 30 uur

Zestien juni 2004 markeert het eeuwfeest van de dag van `Ulysses'. Dublin draait dol van de discussies, de symposia, de merchandising en de toeristische folklore. Het boek van James Joyce is zelf precies licht en zwaar genoeg.

`Chemists rarely move'. Klopt. De loodzware groen en gele stopflessen zijn verdwenen en in de etalage lokken nu neonbakens voor nicotinekauwgom en hooikoortspilletjes. Maar apotheker Sweny zit nog precies waar hij honderd jaar geleden al zat: net achter Trinity College. In het winkeltje met zijn afgeladen toonbanken en matglazen schotten ruikt het nog steeds naar kruiden, zalf en ontsmettingsmiddel, ,,een geur die je al bijna geneest, net als de deurbel van de tandarts''.

Citroenzeep hebben ze er ook nog. John Barrington and Zonen, voorheen zeepzieders te Dublin, maken het niet meer. Maar het zeer Engelse Bronnley, dat ook de badkamers van kroonprins Charles en zijn moeder bevoorraadt, is in het gat gesprongen. Voor drieënhalve euro heb je er een, kanarie- niet citroengeel, maar weer wel in de vorm van een citroen. Of het lijkt op het stuk zeep dat de heer Leopold Bloom hier kocht op 16 juni 1904? Wie zal het zeggen. In elk geval kan Sweny's ze dit jaar niet aangesleept krijgen voor alle bedevaartgangers in de voetsporen van James Joyces beroemde romanpersonage. ,,Het is een nachtmerrie, een lawine, we móeten iets op de logistiek vinden'', zegt de winkelbediende als ze een stuk inpakt. Hoe ze heet? ,,O, dat doet er niet toe. I am just a ship passing in the night. Okee, vooruit dan. Martine.''

`Bloomsday', volgende week woensdag, markeert het eeuwfeest van de beroemdste datum in de wereldliteratuur. Op die dag had Joyce (1882-1941) zijn eerste amoureuze afspraak met Nora Barnacle, een kamermeisje in Finn's Hotel, met wie hij zijn leven verder zou delen in Dublin en daarna in zelfgekozen ballingschap in Triëst, Parijs en Zürich.

Op dezelfde datum liet hij Ulysses zich afspelen, de roman waarin Bloom, een joodse advertentiecolporteur, en Stephen Dedalus, een student met torenhoge literaire ambities en dito dorst, als vader Odysseus en zoon Telemachus de straten van Dublin doorkruisen, soms samen, soms alleen. Ze dromen, lachen, ruziën, gaan naar het bordeel, worden dronken, liggen in de goot, filosoferen en oreren, twijfelen, vechten, eten, piesen, krabben in hun kruis en pulken in hun neus, begraven een dode en bezoeken een kraamvrouw. En intussen ontmoeten ze honderden andere stadsbewoners, sommigen scherp uitgelicht, anderen vaag en vluchtig te zien, als schepen in de nacht.

Joyce begon pas tien jaar later aan Ulysses te schrijven en het zou tot 1922 duren tot de roman werd gepubliceerd, bij de Parijse boekhandel Shakespeare & Company van Sylvia Beach. Waarna de Britse en Amerikaanse censors het boek in de ban deden omdat ze het obsceen vonden, van de eerste masturbatiescène tot Molly Blooms beroemde interpunctieloze erotische slotmonoloog. De Amerikaanse uitgave verscheen voor het eerst in 1934, toen er ook een einde kwam aan de Drooglegging. De Britse versie kwam twee jaar later uit. Hoewel Ulysses in het katholieke Ierland nooit officieel is verboden, kwam het daar pas aan het eind van de jaren vijftig beschikbaar voor een ruimer publiek.

Sindsdien hebben de Joyce-fans 16 juni aangegrepen om uit zijn werk voor te lezen, scènes na te spelen en om zich uit te dossen als zijn personages, met gestreepte vesten, gele handschoenen, bolhoeden, monocles, of als de mysterieuze man in de bruine regenjas. Bloomsday wordt over de hele wereld gevierd, maar Dublin is de aangewezen plek, omdat het decor van de roman er op cruciale plekken samenvalt met het echte Dublin.

Het eten van een broodje gorgonzola (,,met relish of disgust, scherpe mosterd, de voetige smaak van groene kaas'') plus een glas bourgogne in Davy Byrnes pub in Duke Street wordt voor de fans zo een transsubstantiatie, een ritueel waardoor je zelf deel van het boek wordt. Net als bij het pootjebaden in de ,,snotgroene, scrotumverstrakkende zee'' bij Sandycove, achter de vestingtoren even buiten Dublin, waar Ulysses begint en die nu als James Joyce-museum is ingericht. En door het kopen van een stuk citroenzeep bij Sweny's dus.

Joyce-industrie

Maar wie contemplatie zoekt, zal het volgende week vermoedelijk niet vinden. De Joyce-industrie draait op volle toeren. De honderdste Bloomsday is het massale en officiële hoogtepunt van een reeks tentoonstellingen, concerten, discussies, rondwandelingen en publicaties die onder de woordmelige titel `Rejoyce 2004' al vijf maanden bezig is. In het land dat tijdens zijn leven niets van hem moest hebben is Joyce nu big business.

Bloom ontbijt het liefst met de ,,inwendige organen van beesten en gevogelte''. Dus hebben tienduizend literaire toeristen en andere dagjesmensen ingetekend om aan lange tafels in O'Connell Street, het Damrak van Dublin, hun Bloomsday te beginnen met een bord zwarte bloedworst, kippenmaagjes en schapennieren. Met een pint Guinness erbij om de ,,fijn-pikante bijsmaak van urine'' van hun gehemelte te spoelen.

Op dezelfde plek spelen acteurs van het Abbey Theatre twaalf uur later de `Parabel van de Pruimen' uit het hoofdstuk `Aeolus' na, waarin Joyce twee oudere vrouwen Nelsons zuil laat beklimmen en pruimenpitten op de burgers beneden laat spugen. Die pilaar met de held van Trafalgar, tegenover het postkantoor waar de Ierse onafhankelijkheid in 1916 een eerste valse start maakte, is inmiddels opgeblazen door de IRA. Op dezelfde plaats staat nu een roestvrijstalen naald van honderd meter hoogte. Daar ook komen 's avonds drie verschillende parades van steltlopers en andere, weinig Joyce-achtige circus- en caranavalsfiguren samen.

Tussen start en finish spoelt een folkloristische stroomversnelling van méér lezingen, wandelingen-in-het-voetspoor-van, sketches, concerten met muziek uit het begin van de eeuw en moderne Ierse muziek, alles afgetopt met nog meer glazen Guinness. Er is een nieuwe Ulysses-verfilming, Bloom, onder regie van Sean Walsh en voor boven de achttien. De schappen bij Hodges & Figgis, de boekhandel die zelf even voorkomt in Ulysses, zakken door onder de gelegenheidsuitgaven. En er zijn twee nieuwe gesproken versies van Ulysses, van de staatsomroep RTE en van Naxos Audiobooks, op respectievelijk 22 en 32 cd's met een speelduur van 27 en 30 uur.

De 24 uur die Joyce beschrijft zijn dus te krap om het boek in zijn geheel voor te lezen. Je kunt de routes van zijn personages binnen hetzelfde tijdsbestek alleen afleggen door te smokkelen, en niet omdat de tramlijn naar Sandycove is opgeheven en je per taxi naar het Glasnevin-kerkhof moet, in plaats van in een zwarte koets. Want Bloom en Dedalus lopen geen aaneengesloten traject, maar duiken dan eens hier, dan daar op in de stad die Joyce voor ze heeft aangelegd.

En probeer al helemaal niet de hoeveelheden bier, wijn, whiskey, cider en sleedoornjenever van het duo in te nemen, want dan heb je ook de volgende 24 uur nodig om je roes uit te slapen. Het maakt bij elkaar nog eens duidelijk dat Ulysses nu misschien een geslaagde toeristenfuik is, maar tegelijkertijd een mislukte wandelkaart. Ulysses is vóór alles gewoon fictie.

Omdat er een Dublin is waarvan de details soms akelig precies `sporen' met het verhaal, lijkt het boek óók echt. Bij een rondleiding in de National Library zegt de bibliothecaris: ,,Dit is dezelfde deur waarop Stephen heeft geklopt.'' Maar Stephen heeft nooit op een deur geklopt. Joyce vermoedelijk wel, hij en zijn personage lopen in elkaar over, net als het echte en het fictionele Dublin. ,,Daarin ligt de magie'', schreef Suzy Feay in The Independent on Sunday. ,,De stad zelf lijkt het raakvlak te zijn van realiteit en mythe. Joyce veranderde het echte Dublin in fictie en maakte zijn imaginaire personages zo levensecht dat je ze op straat zou kunnen tegenkomen.''

Oscar Wilde en George Bernard Shaw wisten niet hoe snel ze naar Londen moesten verhuizen. Joyce vertrok óók uit de stad die hem ,,ziek, ziek, ziek'' maakte van ,,mislukking, rancune en ongeluk'', maar uit Triëst en Parijs zette hij Dublin als eerste en permanent op de kaart.

Ulysses bleef tachtig jaar een literair ijkpunt. Nabokovs Lolita (,,Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three, on the teeth.'') is ondenkbaar zonder het zingzeggende pionierswerk van Joyce. Hetzelfde geldt voor de ,,enigma's en puzzels'' die Nabokov in zijn werk verstopte. Die houden, zoals Joyce voorspelde, de professoren nog steeds bezig, al bleek het niet ,,de enige garantie om beroemd te worden''.

Volgens Edna O'Brien, de Ierse romanschrijfster wier seksueel expliciete boeken in Ierland een tijd lang echt verboden waren, zat Joyce klem ,,tussen kerk, staat en zijn eigen famile''. Daaraan ontsnapte hij via de taal, een taal die hij voor een deel zelf uitvond, ,,als bezweringsformules en door alle bestaande regels te breken'', zegt ze in een gesprek met buitenlandse correspondenten in Londen. ,,Over Joyce is gezegd dat hij de sleutels van zijn eigen inferno kwijtraakte, maar dat is onzin. Hij raakte ze niet kwijt, hij vond ze uit'', aldus O'Brien.

Hugo Hamilton, de jongere Ierse schrijver wiens roman The Last Shot na de zomer in Nederland uitkomt, probeert de ,,industrie rond Joyce te vergeten en hem te blijven zien als een groot schrijver''. Taal was zijn redding, zegt ook Hamilton, niet alleen voor Joyce zelf, maar ,,juist omdat hij in het Engels schreef, gaf hij het Ierse volk een plek om zijn rol in de wereld te vinden''. Voor Hamilton is Joyce nadrukkelijk een ,,politiek schrijver'', van wie je wel iets móet leren. Joyce schreef over Ierse conflicten – kerk versus morele vrijheid, Engeland versus Ierland – maar ,,zonder zelf in het conflict te stappen; hij toont het zonder het met zoveel woorden uit te leggen; er zijn maar weinigen die dat overtuigend kunnen.''

Welnee, lachte de IJslandse schrijver en uitgever Halldor Gudmundsson tijdens een recente kunstavond in Reykjavik. ,,Je kunt Joyce pas echt waarderen als je hem dus niet leest voor de filosofie en de diepe gedachten, maar voor de klank van de taal.'' Het is eerder allebei, zegt op zijn beurt de Servische auteur David Albahari. Hij heeft Joyce twee keer ontdekt, vertelde hij in het jongste tijdschrift van het Joyce Centre in Dublin. De eerste keer las hij de Servo-Kroatische vertaling van Ulysses en ontdekte hij wat een schrijver met structuur kan doen. De tweede keer, toen hij de Engelse tekst las, ,,ontdekte ik de Joyceaanse taal en de muziek van de woorden'', aldus Albahari.

Maar bij alle gevarieerde lof klonk eerder dit jaar een schrille noot. Roddy Doyle, die in 1993 de Booker-prijs won met Paddy Clarke, Ha ha ha en de populairste moderne Ierse schrijver van het moment is, haalde genadeloos uit. Ulysses is ,,overgewaardeerd, veel te lang'' en ,,emotioneert niet'', zei hij tegen een New Yorks publiek van Joyce-fans. ,,Wat Joyce nodig had gehad was een goeie eindredacteur'' en het Joyce-toerisme draait binnenkort uit op ,,James Joyce Happy Meals'', aldus Doyle.

Het was vloeken in de kerk. David Norris, Iers senator en hogepriester van de festiviteiten rond de honderste Bloomsday, zei dat Doyle een ,,dwaas'' is en een ,,middelmatig talent'', die zijn eigen ,,reputatie wil opvijzelen door die van Joyce aan te vallen''. Doyle's kritiek is ,,rubbish'', zei ook Salman Rushdie, zijn collega Booker-prijswinnaar van Indiase afkomst. Joyce is uniek, aldus Rushdie, ,,omdat zijn gebruik van het Engels niet gekoppeld is aan het Engels van de Engelsen''.

Vette vlaag

En toch, als Doyle een punt had, is het dit: je krijgt Ulysses inderdaad maar tot op zekere hoogte cadeau, zei John Mullan, docent Engelse letterkunde aan University College in Londen. ,,Door het rooster van de kelder dreef donker bier in een vette vlaag omhoog. Door de open deur pufte de bar vleugjes gember, theestof en puree van biscuitjes.'' Zulke zinnen en strip-achtige kreten van het type ,,Mrkgnao!'' (de poes van Bloom), grensverleggend voor hun tijd, bevredigen de zintuigen meteen. Er is geen verdere academische uitleg nodig. Maar voor de rest – de parodieën, de erudiete woordspelingen en puzzeltjes, de verwijzingen naar andere teksten, van Homerus' Odyssee en Dantes La Divina Commedia tot eigentijdse advertenties en politieke slogans – moet de lezer hard werken.

Als de ,,statig-plompe'' Buck Mulligan, de nauwelijks vermomde establishment-schrijver Oliver St John Gogarty, op de transen van zijn toren in Sandycove een scheerkom ophoudt en zegt: ,,Introibo ad altare Dei'', moet je weten dat de eerste gesproken woorden van Ulysses uit de Latijnse mis komen. De van zijn geloof gevallen koorknaap en ex-priester in spe Joyce, die bij Gogarty logeerde (en er gillend wegliep na een nachtelijk incident met een pistool) moet het honderd keer gehoord hebben. Met een scheerkwast in het wijwater laat hij Mulligan het misritueel op de hak nemen, maar Joyce legt toch óók zijn eigen pak van Sjaalman op het altaar.

`Sirenen', het elfde hoofdstuk, waarin Bloom in het Ormond Hotel aan de oever van de Liffey naar muziek luistert (en naar een barmeisje dat haar jarretelgordel op haar dijen laat kletsen en het Engelse woord voor orgel in twee betekenissen gebruikt), begint met een schijnbaar willekeurige opeenstapeling van zinsflarden. Als in een dadaïstisch klankdicht van Paul van Ostaijen: Jingle jingle jaunted jingling. Coin rang. Clock clacked. Avowal. Sonnez. I could. Rebound of garter. Not leave thee. Smack. La cloche! Thigh smack. Avowal. Warm. Sweetheart, goodbye!

Die woorden vallen later op hun plaats: ze verwijzen stuk voor stuk vooruit naar de rest van het hoofdstuk. Sonnez la cloche! Dat is het signaal voor Miss Douce om haar nummer met de jarretelgordel te doen. Joyce haalde de woorden afzonderlijk naar voren om te fungeren in de ouverture van het stuk muziek dat dit hoofdstuk is. De onderdelen van het hoofdstuk, schreef hij aan zijn latere uitgever Harriet Shaw Weaver, zijn ,,alle acht de reguliere delen van een fuga per canonem. Ik zag geen andere manier om de verleidingen van de muziek te beschrijven waaraan Odysseus voorbij reist.''

Wat Roddy Doyle ergert is vermoedelijk dat zulke betekenissen niet vanzelf spreken. Dat je, om Ulysses echt te kunnen waarderen, verondersteld wordt al zoveel te weten en misschien wel dat Joyce eigenlijk een snob was die zijn lezers minachtte. Toch dacht Joyce niet dat zijn lezers alles al wisten. Hij stelde zich alleen voor dat ze moeite wilden doen om erachter te komen. En dat er iets is om achter te komen, zie je wel degelijk meteen. In die zin leverde Joyce de sleutels er inderdaad bij.

Toch verwerpt Doyle Ulysses niet alleen omdat het vol zou staan met intellectuele spelletjes. Hij verwerpt het, zegt John Mullan, ,,uiteindelijk met dezelfde maatstaf die de lezer van Doyle's eigen fictie zou verwachten'', namelijk dat het boek ,,niet ontroert''. En dat is jammer. Want de roman ontroert wel degelijk. Hoe kan uitgerekend iemand als Doyle niet zien hoe Ulysses ,,de melancholie en affectie van het bijna-mislukte huwelijk van Leopold en Molly Bloom tot leven brengt'' en naar een hoogtepunt voert in Molly's interpunctieloze monoloog aan het einde – ,,and yes I said yes I will Yes''. Juist Doyle, zelf een meester in het beschrijven van zulke relaties, zou daarvoor gevoelig moeten zijn.

Mullans pleidooi (en dat van anderen) is dezer dagen simpel: lees dat boek, opnieuw, lees het helemaal en het hoeft niet binnen 24 uur. Nee, het Bloomsday-feest is geen alternatief voor lezen. En ja, Ulysses is natuurlijk te lezen als een tijdloos verhaal over – letterlijk – een wandelende jood. Of als een `onderzoek naar de relatie tussen de moderne mens en zijn mythe'. Of als een historische doorbraak in het debat over Ierse culturele en politieke zelfstandigheid. Of als actueel verslag van `ethiek en moreel verval in een tijd van snelle economische ontwikkelingen'. Rond de honderdste Bloomsday zijn er talloze symposia gewijd aan zulke zware kwesties en het is bijna of de organisatoren zich een beetje schamen voor de toeristische folklore en zo tegenwicht proberen te geven. Maar het boek is zelf precies licht en zwaar genoeg.

Slager Olhausen in Talbot Street bij het station, waar Bloom een schapenpoot koopt, is verdwenen. Het huizenblok is vervangen door een gloednieuwe Spar. Schrale troost: de Denny-worstjes die Joyce beschrijft, staan er vacuum-verpakt in het schap. Maar het voelt toch anders. De hele noordwesthoek van Dublin, het `hart' van Joyce-town, gaat op de schop nu het moderne Ierland, de `Keltische tijger', zo onstuimig blijft groeien. Het stadsmortuarium is gesloopt; daar is nu een parkeerplaats voor auto's die de politie in beslag heeft genomen. Op de plek van Blooms woonhuis, 7 Eccles Street, is een ziekenhuis gebouwd. De rosse buurt is al eens tegen de vlakte gegaan, en is nu opnieuw een bouwput waaruit kantoren en warenhuizen verrijzen. Zo verdwijnt het geheugen van de stad in de cementmolen, zeggen sommige Dubliners somber.

Maar als je Ulysses openslaat weet je het weer.

`Bloomsday 100': www.rejoycedublin2004.com

De Bezige Bij publiceert een jubileumuitgave van `Ulysses'.

    • Hans Steketee