Culturele export

De Amerikaanse schrijver en columnist Thomas L. Friedman, voorstander van de oorlog tegen Saddam Hussein, maakt zich nu zorgen over de manier waarop zijn president de overwinning verkwanselt waardoor in de hele wereld het anti-Amerikanisme toeneemt. Regelmatig richt hij in de New York Times een dringend advies aan het Witte Huis. Alstublieft, meneer de president, pak het anders aan! Zo wordt het niets, is de strekking. Zelf heeft hij genoeg ideeën. Een drastische uitbreiding, overal ter wereld, van de bibliotheken die aan de Amerikaanse ambassades zijn verbonden. Veel meer studiebeurzen, uitwisselingsprogramma's voor buitenlandse studenten. Op cultuur is de laatste jaren zwaar bezuinigd. Terug naar de gulheid, de gastvrijheid van de oude culturele politiek!

Het seizoen van de herdenkingen is weer aangebroken. Dat is een goede gelegenheid om nog eens na te gaan hoe de Amerikanen hier na de bevrijding hun culturele opwachting maakten. Ik heb er de beste herinneringen aan. Al vlug kwamen de boeken, de goedkope Zephyr-edities, van schrijvers die in de oorlog verboden waren geweest of van wie je nog nooit had gehoord. In München en Stuttgart, in de Amerikaanse bezettingszone kwamen radiozenders van The American Forces Network, met mooie muziek en ook interessante teksten aan het adres van de soldaten: VD walks the street. Remember, penicillin fails, once in seven times. In Salzburg werd het Seminar for American Studies opgericht. In het uitdelen van studiebeurzen waren ze niet kinderachtig. Door de United States Information Service, in Amsterdam gevestigd aan het Museumplein, werd je hartelijk ontvangen.

Langzamerhand begon de Koude Oorlog. De Oost-Europese landen waarover in Jalta was besloten dat ze door het Rode Leger zouden worden bezet, kregen via de salamitactiek – telkens een schijfje van de tegenstanders afsnijden – een communistische regering. Met de staatsgreep in Praag was de Koude Oorlog definitief begonnen. In West-Europa waren sterke communistische partijen die van Vadertje Stalin alle wijsheid ontvingen. De Franse, van Thorez, en de Italiaanse van Togliatti waren de grootste. Maar bij de eerste verkiezingen in Nederland kreeg de CPN van Paul de Groot ook nog tien procent. Veel intellectuelen zagen wel iets in de Sovjet-Unie. Ik herinner me een artikel van Karel van het Reve in De vrije katheder over Stalins `zegenrijke volkenpolitiek'. De schrijver was overigens al gauw bekeerd. Hij was de enige niet. Arthur Koestler heeft een aantal essays van beroemde bekeerlingen verzameld in The God that failed.

Toch bleef het onder de intellectuelen broeien. En toen verschenen er drie tijdschriften: in Duitsland Der Monat, in Frankrijk Preuves en in Engeland Encounter. Ze werden door onbetwiste intellectuelen geredigeerd en volgeschreven, en ze waren geheid democratisch, zonder een zweempje van meeloperij. Ze werden uitgegeven door het Congress for Cultural Freedom, dat weer gefinancierd werd door de Ford Foundation. In de loop van hun verschijnen kregen ze meer aanzien, en dat was verdiend, want ze hadden een hoog gemiddelde. Maar na jaren ging er plotseling een schok door intellectueel West-Europa. Die maandbladen werden niet betaald door het Congress for Cultural Freedom maar door de CIA. De geheime dienst was op een bewonderenswaardige manier in de literatuur gegaan. Intellectuelen gefopt! Maar er is een verzachtende omstandigheid: dat was een andere CIA dan die waaraan we nu gewend zijn.

Terug naar Thomas Friedman. Ik vind dat hij een goed plan heeft. Maar wie zou het moeten uitvoeren? Wat zal de Amerikaanse minister van Justitie Ashcroft ervan zeggen. Hij heeft al aanvaringen genoeg met de intellectuelen in zijn eigen land. Hij wilde verbieden dat uitgevers manuscripten zouden redigeren; laten controleren wie wat uit welke bibliotheek leent. Ik heb het nu niet over de macro-politieke en -militaire inzichten; alleen over de cultuurpolitiek van dit Washington, de elektronisch gestuurde en gecontroleerde versie van een strenge zedenapostelerij. Mij zou het een geringe zorg zijn als de CIA een geheime bijdrage zou leveren aan een of ander noodlijdend literair blad. Maar dan de CIA van de jaren vijftig.

    • H.J.A. Hofland