Alle boeren heetten de Duitsers welkom

De Duitse arrogantie bracht in de oorlog ook in Oekraïne grenzeloze wreedheid teweeg. Oekraïeners werden slaven, joden vermoordde men ter plekke. Hoe kan het dat zowel bolsjewieken als nazi's daar hartelijk werden verwelkomd.

Dood, verderf en terreur – het is niets bijzonders in boeken over de Tweede Wereldoorlog, maar ze raken de lezer verrassend hard en direct in de studie van Karel Berkhoff naar de geschiedenis van Oekraïne tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Rijkscommissariaat Oekraïne was het kernland van de nieuwe Duitse orde in Oost-Europa: woonplaats van de Slavische Untermensch, toekomstig vestigingsgebied van het Duitse Herrenvolk en toneel van verschroeide aarde, genocide en burgeroorlog. Weinig gebieden in Europa werden zwaarder getroffen in de oorlog dan Oekraïne. Bovendien gaat Harvest of despair over de gewone Oekraïener, over het leven (en de dood) van alledag.

Berkhoff, werkzaam op het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, heeft een geschiedenis van onderop geschreven – niet de bezetter maar de lokale bevolking staat centraal. Harvest of despair is een fraai boek. Het is overzichtelijk, goed gecomponeerd en scherp geïllustreerd. Berkhoff heeft een aangename schrijfstijl, enigszins onderkoeld en af en toe polemisch, en die verhoudt zich goed met de onthutsende, deprimerende alledaagse werkelijkheid in de bezette Oekraïne.

De Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa was van een andere orde dan die in het westelijk deel van het continent. In Polen, Oekraïne en Rusland voerden de Duitsers een racistisch en politiek geïnspireerde kruistocht. De lokale Slavische bevolking werd als principieel minderwaardig beschouwd. `Als ik ooit een Oekraïener tegenkom die het waard is met mij aan tafel te zitten, dan schiet ik hem dood', merkte Erich Koch, chef van het Rijkscommissariaat Oekraïne, eens op.

Shoah

Grenzeloze arrogantie bracht meedogenloze wreedheid voort. Oekraïeners waren nauwelijks meer waard dan de bevolkingsgroepen die voor complete uitroeiing in aanmerking kwamen: joden en zigeuners. En zelfs deze genocide, met name de shoah, verliep in Oost-Europa anders dan elders op het continent. De West-Europese joden werden bijeengebracht, gedeporteerd en ver van de bewoonde wereld vernietigd. De meeste joden in Oekraïne werden ter plekke vermoord, op hun eigen geboortegrond, in hun eigen dorpen en steden, dikwijls in alle openheid en onder het oog (en niet zelden met medewerking) van hun niet-joodse landgenoten.

Berkhoff betwijfelt of de opvattingen van de lokale bevolking over joden enige invloed hebben gehad op de wijze waarop de joden uiteindelijk zijn behandeld. Ik geloof het wel. Niet de reden waarom, maar wel de wijze waarop de joden in Europa werden uitgeroeid was contextueel bepaald – en deel van die context in Oekraïne waren de wijdverbreide anti-joodse sentimenten van de boerenbevolking.

Oekraïne heeft betrekkelijk kort onder Duits gezag gestaan: in de zomer van 1941 vielen de Duitsers binnen en in maart 1944 verdreef het Rode Leger de laatste bezetter weer uit het gebied. De Duitsers brachten het grootste deel van de sovjetrepubliek onder in het zogeheten Rijkscommissariaat Oekraïne. Oekraïne was nazi-Duitslands omvangrijkste kolonie. Ze werd door de Duitsers van levensbelang geacht. De toekomst van het Duitse ras was ervan afhankelijk. Zonder Oekraïne geen levensruimte; zonder Oekraïne geen voedsel. En de lokale bevolking? Die zou volgens Berkhoff op de een of andere wijze dienen te `verdwijnen'. Uitroeiing van de Oekraïeners (uithongering en moord) was een integraal deel van Hitlers plannen, concludeert hij.

Ik twijfel niet aan de intenties van Hitler en evenmin aan de interpretatie van Berkhoff, maar mij dunkt toch dat de feitelijke politiek van de Duitse bezetter lang niet altijd in overeenstemming was met diens genocidale bedoelingen. De `meedogenloze uithongering' van Kiev in de winter van 1942-43 (hoewel minder dramatisch, aldus Berkhoff, dan de hongerwinter in het westen van Nederland) kwam vooral voort uit de obsessieve drang van de nazi's de sovjetindustrie te elimineren en de sovjetsteden te ontvolken.

De Oekraïeners werden inderdaad gereduceerd tot slaven. Onderwijs werd net als vrijwel iedere vorm van zelfbestuur zo goed als afgeschaft. Het culturele leven werd gereduceerd tot nul. In vele opzichten, zo concludeert Berkhoff, was de situatie in het Rijkscommissariaat Oekraïne slechter dan in het bezette deel van Polen, het Generaal-Gouvernement, waar de later in Neurenberg ter dood veroordeelde jurist Hans Frank de scepter zwaaide. Maar hebben de Duitsers inderdaad gepoogd, in lijn met Hitlers toekomstvisie, de Oekraïeners te vernietigen? Veeleer lijkt het erop dat de bezetter de lokale bevolking nodig had en voor zich liet werken: als boeren (de collectieve landbouw bleef in stand) en als dwangarbeiders (zowel ter plekke als in het Duitse Rijk).

Toen het Rode Leger in november 1943 de nazi's uit Kiev verdreef, werden de sovjetsoldaten als bevrijders binnengehaald. Ruim twee jaar eerder stond een groot deel van de Oekraïeners te juichen toen diezelfde bolsjewieken door de Wehrmacht werden verdreven. Vrijwel alle historici zijn het erover eens dat de Duitse inval door de Oekraïense bevolking met opluchting, zo niet met enthousiasme werd begroet. Berkhoff gaat nog een stapje verder. `Vrijwel alle boeren' waren gelukkig met de komst van de Duitse troepen, schrijft hij enkele keren. De `meeste dorpelingen' verwelkomden de Duitsers als bevrijders. De stedelingen waren gereserveerder. In de grote stad was het aantal communisten groter, evenals het aantal Russen en joden – geen categorieën die bijzonder veel heil van de Duitsers verwachten.

Berkhoffs interpretatie is gebaseerd op indrukken van tijdgenoten, van zowel Duitsers als Oekraïeners. Die indrukken zijn echter niet altijd eenduidig. Het mag duidelijk zijn waarom de Duitsers door veel of zelfs door de meeste boeren als helden werden ontvangen: ze hadden een einde gemaakt aan de heerschappij van de bolsjewieken. Antibolsjewisme bepaalde de reactie van de boeren. Ten gevolge van de Duitse arrogantie en terreur sloeg de positieve houding van veel, zo niet de meeste Oekraïeners echter al vrij snel om in argwaan, angst en afkeer. En uiteindelijk zag in ieder geval in het oostelijk deel van Oekraïne de `grote meerderheid van de bevolking', aldus Berkhoff, uit naar de komst van het Rode Leger. Ondanks, zo vermoed ik, de `alom aanwezige angst voor de terugkeer van de Sovjets', die Berkhoff ook optekent, in dit geval uit Duitse bronnen.

Waarschuwingen

Berkhoff neigt naar vergaande conclusies, die niet onaannemelijk zijn, maar die evenmin altijd overtuigend zijn onderbouwd. Dat geldt voor ook voor zijn verklaring van de enorme verliezen die de sovjetstrijdkrachten onmiddellijk na de Duitse inval leden. Stalin had talloze waarschuwingen in de wind geslagen, zeker; het Rode Leger was nauwelijks voorbereid op een Duitse aanval, ook juist; maar de belangrijkste reden voor de snelle Duitse opmars, meent Berkhoff, was `desertie' in het sovjetleger en de `onwil' van dienstplichtigen om te vechten.

Ik heb een dergelijke pertinente stelling niet eerder gelezen. De enkele bronnen waarop de auteur zich hier baseert, zijn nogal aan de magere kant. Berkhoffs distantieert zich niet alleen van de `Grote Vaderlandse Oorlog', de officiële, de mythische voorstelling van de Tweede Wereldoorlog in Rusland (en, naar ik aanneem, ook nog steeds in Oekraïne), maar hij heeft ook grote moeite met het discours en de interpretaties van veel westerse historici. Dit uit zich vooral in zijn afkeer van het begrip `collaboratie'. Collaboratie, meent Berkhoff, impliceert afwijzing vanwege verraad, en dit mag politiek opportuun zijn, maar zo meent hij, het staat het primaire doel van (zijn) historisch onderzoek in de weg: begrip, kennis. Om dezelfde reden spreekt hij ook liever niet van `verzet'. `Mijn werkhypothese is dat de meeste mensen in extreme situaties allereerst proberen te overleven' – Berkhoff geeft de voorkeur aan kennis boven moralisme.

Het streven is mooi, maar de redenering is omslachtig en de gevolgde methodiek overbodig. Het is een open deur te stellen dat iedereen (althans bijna iedereen) vooral probeert te overleven. De vraag is juist waarom mensen voor zulke uiteenlopende overlevingsstrategieën kiezen: passiviteit en aanpassing, verzet of, inderdaad, samenwerking met de bezetter, collaboratie? Waarom zouden de wreedheden van de Schutzmannschaft, een hulppolitie van veelal Oekraïense mannen, niet als een vorm van collaboratie (samenwerking met de bezetter) kunnen worden getypeerd? Het consequent vermijden van dergelijke terminologie is in mijn optiek net zo moraliserend als het voortdurend gebruiken ervan. Berkhoffs statement lijkt me overbodig.

De geschiedenis van de Duitse bezetting van Oekraïne is juist zo interessant omdat ze niet past in `onze' oorlog. Als een vreemd leger met open armen wordt ontvangen en als een `bezetter' door de meerderheid van de bevolking als `bevrijder' wordt beschouwd, dan verliezen de standaardcategorieën van de Tweede Wereldoorlog (bezetting en bevrijding; collaboratie of verzet) sowieso hun betekenis – en juist dàt maakt Berkhoffs geschiedenis van leven en dood in Oekraïne onder nazi-heerschappij zo overtuigend duidelijk.

Karel C. Berkhoff: Harvest of despair. Life and death in Ukraine under Nazi rule. The Belknap Press of Harvard University Press, 463 blz. €32,80