Acteur Gijs Scholten van Aschat bekroond

Afgelopen dinsdagavond kreeg Gijs Scholten van Aschat na afloop van de voorstelling `Demonen' de Albert van Dalsum Ring uitgereikt. ,,Ik ben zeer aangedaan.''

`Je moet hem maar niet dragen, dan word je meteen opgepakt door de politie'', zegt zijn vriend en collega Pierre Bokma bij de uitreiking. Hij doelt op het kermisachtige uiterlijk van de Albert van Dalsum Ring; een opzichtige gouden ring met lichtblauwe maansteen. Topaas zeggen sommigen.

Dinsdag, na afloop van de voorstelling Demonen in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag, werd acteur Gijs Scholten van Aschat op het podium verrast door Bokma, die hem de Albert van Dalsum Ring overhandigde. De ring is een hoge onderscheiding die grote acteurs aan elkaar doorgeven. Sinds hij gesmeed werd in 1960 ging de ring van Albert van Dalsum naar Paul Steenbergen, naar Ko van Dijk, naar Peter Oosthoek, naar Pierre Bokma, die hem elf jaar heeft gehouden. De doorgeefprijs is een sympathieke manier van bekronen, vooral omdat de winnaar niet weet waar of wanneer het hem zal overkomen. Scholten van Aschat staat er op het podium dan ook niet stralend in een smoking bij, maar totaal verfomfaaid in een matrozenhemd, als een bokser na veertien rondes vechten, met een verbaasde, schaapachtige lach om de mond.

Later in de foyer: ,,Ik ben zeer aangedaan. Dat ik hier en plein public zo geeerd wordt. Bokma heeft de afgelopen jaren wel eens laten doorschemeren dat hij de ring aan mij wilde doorgeven. Meestal laat, in het café. Maar ik kapte dat altijd af. Ik wilde niet in zijn complotje betrokken worden. De tijd en plaats hield hij altijd geheim. Ik ben vooral ontzettend geroerd door de theatergeschiedenis die aan de ring vastzit. Al die grote namen die hem droegen: Ko van Dijk, Paul Steenbergen, en dan nu ik. Dit is zeer vleiend.''

Maandag komt hij alweer in aanmerking voor een hoofdprijs: hij is genomineerd voor de Louis d'Or voor zijn rol in Demonen. Hij kan de uitreiking in Amsterdam echter niet bijwonen want hij moet in Den Haag een van de laatste voorstellingen spelen. Jammer? ,,Nee. Ik vind het wel chic eigenlijk, ik doe gewoon mijn werk.''

De rol in Demonen – een variatie van Lars Norén op het modern-klassieke huwelijksdrama Wie is er bang voor Virginia Woolf? – noemt hij een van de zwaarste in zijn 21-jarige loopbaan. ,,Ik ben echt stuk na een avond spelen. Het is een weerbarstig stuk dat zich niet als vanzelf speelt, het is om te beginnen te lang, dus we moeten er flink de schouders onder zetten. Iedere avond weer die worsteling om béter te zijn dan het stuk.''

De echtgenoot die hij speelt noemt hij een teruggetrokken man die zich verschuilt achter zijn sterkste schild: de taal. ,,Aanvankelijk speelde ik hem heel klein, subtiel, maar dat werkte niet. Er blijkt zoveel aan de hand te zijn. We hebben ook nog geprobeerd om de echtelijke ruzie in het begin voluit heftig te spelen, maar ook dat werkte niet. Regisseur Johan Doesburg zei: `Na een uur is het mysterie weg. En dan moet je nog twee uur. Speel het licht, verhuld, vanuit een soort onaantastbaarheid, en speel de ruzie als een ritueel.' Langzaam laat de man steeds meer van zichzelf zien. De lijn die ik voor mezelf aanhoud, is dat hij steeds jonger wordt, zichzelf steeds meer blootgeeft, totdat hij eindigt als kleine jongen die het levensplezier, het naïeve spel terugvindt.''

Hockeysjaal

Toen het gezin Scholten van Aschat in de jaren zeventig van Tiel naar Amsterdam verhuisde, kwam zoon Gijs (Doorn, 1959) op het Hervormd Lyceum terecht, waar fanatiek aan toneel werd gedaan. Schoolgenote en buurmeisje Debbie Korper vertrok naar de toneelschool, Scholten van Aschat wilde haar volgen. De Amsterdamse Toneelschool wilde hem echter niet hebben. ,,Die school was een nogal alternatieve club eind jaren zeventig, en ik was een hockeyjongen. Ik droeg een hockeysjaal en ik kwam vanuit Oud-Zuid met de auto van mijn moeder naar school. Dat viel niet goed daar. Ik was heel naïef dus ik snapte het niet: wat maakt die hockeysjaal nou uit? Ik heb toch gewoon veel plezier in het spelen?''

Op de toneelschool in Maastricht was zijn hockeysjaal geen probleem: ,,Het is sowieso een afgelegen school die minder beïnvloed wordt door modes en politieke tendensen. De studenten in Amsterdam zaten midden in de theaterwereld, ze kenden grootheden als Gerardjan Rijnders en Hans Kemna. Voor ons waren die figuren heel ver weg. Dat gebeurde in het Westen. Achteraf ben ik blij dat ik in Maastricht terechtkwam, een school die sterk de nadruk op de techniek legt: iedere ochtend ballet, stem- en zangles. Dat werd erin gestampt. Als je dan speelde, hoefde je daar tenminste niet meer over na te denken.''

In Maastricht ontmoette Scholten van Aschat ook de club toneelvrienden voor het leven die hij later weer zou tegenkomen bij Orkater, bij de tv-series Pleidooi en Oud geld (waarvoor hij een Gouden Kalf kreeg), en bij het succesrijke toneelstuk Cloaca, dat ook werd verfilmd: schrijfster Maria Goos, regisseur Willem van de Sande Bakhuyzen, acteurs Peter Blok en Carine Crutzen. En boezemvriend Bokma natuurlijk. Met Bokma wordt hij nog altijd in één adem genoemd, als de twee beste acteurs van Nederland die de grote rollen in de schouwburgen verdelen. Speelde Bokma Hamlet of Jago in Amsterdam, dan deed Scholten van Aschat dat in Den Haag. Bokma als de extraverte, emotionele speler, Scholten van Aschat introverter, gedistingeerder. Samen gaan ze geregeld op de Shakespeare-schnabbeltour; u kunt het duo inhuren voor een avondje Shakespeare-scènes bij u thuis.

In 1983 ging Scholten van Aschat bij de Haagsche Comedie van Guido de Moor werken (eerste rol: Kerstmis aan het front), een gezelschap met een groot ensemble en een eigen sterke traditie, zodat de grote theatervernieuwingen in die jaren enigszins langs de groep heengingen. Zijn medestudenten vonden het een vreemde keuze. ,,Het was de tijd van eigen groepjes oprichten, zélf toneelstukken maken, gebaseerd op improvisaties. Maar ik dacht op school al: ze hebben wel originele ideeën, maar op het podium ziet het er niet uit. Er zijn betere stukken geschreven dan wij nu hier bij elkaar kunnen improviseren. Laten we die betere stukken eerst eens spelen. Ik wilde repertoire spelen omdat ik wilde dóórleren, mijn terrein vergroten. Grote stukken in een groot ensemble, zó leer je het vak.

,,Bij de Haagsche Comedie stond het vakmanschap hoog in het vaandel. Ik heb goed geluisterd, maar ik heb me er ook wel tegen afgezet. De oudere acteurs vonden het niets hoe ik speelde: `jongen, jongen, wat doe je nou toch allemaal?' zeiden ze, `speel nou simpel, speel gewoon de tekst'. Ik zette rollen naar mijn hand. Ik denk dat ze dat te brutaal, niet bescheiden genoeg vonden.

,,Ik ben een intuïtief acteur, maar om dat te kunnen zijn moet ik hard studeren. Als ik in het begin een Shakespeare speelde, ging ik vooraf een paar weken naar mijn oude leraar van de toneelschool in Frankrijk om de tekst woord voor woord door te nemen. Als de repetities begonnen, wist ik al hoe ik het ging spelen. Laat ik dat maar aanbieden, dacht ik dan, dan kan de regisseur altijd nog zeggen dat hij het anders wil. In Cloaca heb ik met Jaap Spijkers gespeeld, die tien jaar lang regisseur Theu Boermans achter de rug had. Hij vertelde dat hij gewend was om zin voor zin door het stuk geleid te worden, inclusief de onderliggende gedachtes en de melodie. Als een regisseur tegen mij zou zeggen: `zo moet je die zin zeggen', zou ik zeggen: `hou jij je grote mond. Daar heb je helemaal geen verstand van, dat weet ik veel beter dan jij'. De algemene richting mag hij aangeven, maar hij mag geen zinnen voorzeggen, zo werk ik niet.''

In de eerste jaren speelde hij veel met Lou Landré, die hij als zijn toneelvader en leermeester beschouwt: ,,Aanvankelijk was ik een Draufgänger. Ik speelde met passie en overgave, ik gáf veel, en nam weinig. Vaak had ik na een voorstelling geen idee wat de anderen gespeeld hadden. Landré heeft me geleerd ook te ontvangen, te luisteren naar de andere spelers. En om zacht van hart te zijn. Hij leerde me onderdrukt te spelen, met meer reflectie, gevoeligheid voor taal en ritmiek. Het duurt wel tien, vijftien jaar voordat ik dat onder de knie had. Natuurlijk heeft het ook met leeftijd te maken. Als je ouder wordt, ga je vanzelf reflectiever spelen. Landré was in zijn jeugd ook een angry young man. Ik heb nog altijd de neiging om te veel te doen, dat speelt lekker en het is een ijdel genoegen: `kijk eens, dat kan ik allemaal'. Maar minder laten zien en meer aan de verbeelding overlaten is de grote kunst.

,,Wat ik graag speel zijn getourmenteerde mannen met een groot onvermogen, die dat aan de buitenkant ontkennen. Heren die iets proberen op te houden, zodat er een spanning ontstaat tussen buitenkant en binnenkant; totdat ze dat niet langer volhouden. De ingehouden woede van een formele, gesloten man. Volkse jongens met het hart op de tong, Geert in Op hoop van zegen bijvoorbeeld, zou ik minder snel spelen.''

Van de klassieken is Shakespeare zijn eeuwige, grote liefde. In 1984 speelde hij reeds de hoofdrol in Romeo en Julia. Daarna volgden Othello, Midzomernachtsdroom, Richard II, De Koopman van Venetië, Macbeth, Timon van Athene. En in 1999 Hamlet, in de regie van Johan Doesburg, misschien wel zijn mooiste rol. Een Hamlet op leeftijd, Scholten van Aschat was 39 jaar; het leek al enigszins op een idee dat hij in de toekomst nog eens wil uitvoeren: Hamlet als prins Charles, de eeuwige kroonprins die nooit koning zal worden.

,,Hamlet is zeker een mijlpaal, ik kon veel kwijt in die rol. Bovendien blijf je bezig met die tekst, omdat er zoveel wijze gedachtes in zitten. Shakespeare spelen is een verrijking van je leven. Ik onthoud veel zinnen die me als leidraad dienen. Richard II zegt bijvoorbeeld: `Maar wat ik dan ook ben,/ noch ik, noch wie dan ook die niets dan mens is,/ raakt ooit voldaan vóór het idee hem troost/ dat hij niets is.' Het is een lastige zin, die een verbijsterend moderne, bijna boeddhistische waarheid bevat: je kan niet voldaan raken voordat je accepteert dat je niets bent. Om iets te kunnen worden moet je niets durven zijn.''

Na de Haagsche Comedie is Scholten van Aschat, inmiddels freelancer, bij opvolger het Nationale Toneel blijven spelen. Hij ging niet naar Amsterdam, naar het Publiekstheater, later Toneelgroep Amsterdam, waar het spraakmakende, experimentele theater onder Gerardjan Rijnders werd gemaakt. Was de keuze voor Den Haag een bewuste keuze voor het ijzeren repertoire, traditioneel gespeeld, zonder wilde vormexperimenten? ,,Nee hoor. Het is zo gegroeid. Pierre Bokma zat in Amsterdam dus ik zat in Den Haag. Ik heb overigens in de jaren tachtig wel eens gesolliciteerd bij Gerardjan Rijnders. Ik zei tegen hem: `vanavond speel ik Don Juan in de schouwburg. Kom kijken, dan kan je zien wat voor acteur ik ben.' Na afloop zei Rijnders: `Kom maar auditie doen, want ik heb vanavond niet zoveel kunnen zien.' Toen heb ik gezegd: `als jij vanavond niet hebt kunnen zien wat ik kan, dan denk ik niet dat wij tot zaken kunnen komen.' Flikker toch op zeg.''

Genomineerd

De afgelopen tijd speelde Scholten van Aschat nog slechts eens in de paar jaar in Den Haag, bijna louter in stukken van regisseur Johan Doesburg: ,,Een vruchtbare samenwerking: iedere keer als ik in een stuk van Doesburg sta, word ik genomineerd voor de Louis d'Or.'' Vier keer werd Scholten van Aschat genomineerd, één keer eerder won hij de prijs, in 1993 voor zijn dubbelrol in Decadence van Berkoff, waarin hij een heer en een penozejongen speelde, Hagenaar en Hagenees.

Hoewel Scholten van Aschat slechts twee keer met hem werkte – twee Tsjechovs waaronder Platonov – is ook regisseur Frans Strijards belangrijk voor hem geweest. ,,Strijards leerde me mijn fantasie meer te gebruiken, onconventioneel te spelen, laten we zeggen `anti-psychologisch'. Een karakter heeft doorgaans tien verschillende kanten. Als acteur was ik gewend om die tegengestelde kanten tot één coherent karakter te maken, zodat het publiek uiteindelijk denkt: `zó is die man'. Strijards leerde me dat je het tegengestelde van die karaktereigenschappen juist moet laten bestaan. Dat werkt bevreemdend en verwarrend bij de toeschouwers, die zo gaan nadenken over de rol en zelf wel de bruggen tussen die eigenschappen leggen. Ook in het dagelijks leven heeft niemand een eenduidig karakter. Je kent het wel: de man van de brillenafdeling van Vroom & Dreesman die thuis zijn vrouw met een bijl doodslaat. Zodat je verbijsterd denkt: `Díe man met een bíjl' Vroeger zou ik zo'n man als moordenaar hebben gespeeld, nu gewoon als man van de brillen van Vroom & Dreesman.''

Scholten van Aschat ziet in Demonen duidelijk de invloed van Strijards. Naast het aanzetten van tegenstellingen in één rol, zie je zijn invloed ook in de vreemde, gechoreografeerde bewegingen die de cast steeds maakt: ,,Tien jaar geleden had dat nooit gekund bij het Nationale Toneel. Strijards heeft die wijze van acteren normaal gemaakt.''

Mocht Scholten van Aschat aanvankelijk hopeloos verslingerd zijn geweest aan het klassieke repertoire, de laatste negen jaar is dat ingrijpend veranderd. Sinds hij in 1995 bij Orkater kwam, speelt hij juist vooral nieuw, liefst zelfgemaakt werk. Bij Orkater speelt bovendien de muziek de hoofdrol, niet de literaire schoonheid van de tekst. Hij werkte bij Orkater aan de `Amerikaanse reeks': Wie vermoordde Mary Rogers, De formidabele Yankee en de Prefab Four. Dat laatste stuk, over de nep-popgroep The Monkees, schreef hij zelf.

,,Ik ben niet bij Orkater gegaan omdat ik per se zelf dingen wilde gaan maken; maar dat is nu eenmaal de werkwijze daar. Nu is het mijn thuis. Op school was ik altijd al fan van dat ruige mannengroepje met die bizarre voorstellingen. Het is veel werk, maar ik vind het een verrijking om te schrijven en te regisseren en me overal mee te bemoeien. Wat ik wel mis is de Shakespeares. Het is alweer vijf jaar geleden dat ik in Hamlet speelde. Dus het wordt hoog tijd. Ik heb nu bij Orkater voorgesteld om een Shakespeare te doen, maar dan bewerkt, en met muziek.''

Volgend jaar schrijft hij een nieuw stuk voor Orkater, De kortste eeuw, een groots opgezet muziektheaterstuk over een oudejaarsfeest op het dak van een hotel. ,,Ik moet het nog schrijven. Wel griezelig: alles is al geregeld, alleen het stuk is er nog niet. Ik heb net bedacht dat de gasten op het feest verkleed komen, als de paus bijvoorbeeld, zodat ik er een soort allegorie met archetypes van kan maken, over de avond dat een nieuwe Zondvloed uitbreekt.''

Na afloop van de bekroning staat Scholten van Aschat in de artiestenfoyer, nog altijd in zijn matrozenhemd, een moe, gerimpeld jongetje. Dat hij `zeer aangedaan' is, valt niet direct van zijn gezicht te lezen. Indirect wel. Hij wordt omringd door opgetrommelde toneelvrienden; de kliek uit Maastricht. En zijn toneelvader Lou Landré is er ook natuurlijk. Tegen het advies van Bokma in, heeft Scholten van Aschat de ring toch omgedaan. Hij past precies.

`Demonen' van het Nationale Toneel, t/m 15 juni. Laatste voorstellingen in Leiden, Den Helder en Den Haag. Inl. (070) 3181444 of www.nationaletoneel.nl.

T/m 3 juli speelt Orkater in de Nieuwe de la Mar in Amsterdam, met onder meer Gijs Scholten van Aschat in `Over de duivel en de dood' en `Hagedissenhuid'. Inl. (020) 5305301 of www.orkater.nl.

`Strijards leerde me mijn fantasie meer te gebruiken'

`Om een intuïtief acteur te zijn moet ik hard studeren