Het nieuws van 11 juni 2004

Europese agenda

Erik Wesselius stelt in zijn artikel in NRC Handelsblad van 1 juni ten onrechte, dat de lobby van het bedrijfsleven de Europese agenda naar zijn hand zet, en gekortwiekt moet worden. Bij veel punten op die agenda, zoals de Europese grondwet, komt het bedrijfsleven niet aan bod. Dat is wél zo bij onderwerpen die van rechtstreeks belang zijn voor dat bedrijfsleven. Die onderwerpen, zoals de handelspolitiek en het milieubeleid, worden vanouds in Brussel behandeld. Natuurlijk wil het bedrijfsleven daarbij op de eerste rij zitten.

Er is geen belang gediend met het verscherpen van de EU-regels voor lobbyisten, zoals Wesselius bepleit. Zijn voorbeeld van de Amerikaanse Lobby Disclosure Act maakt dat duidelijk. Er is geen land in de wereld waar de lobby zo hard en met zoveel inzet van geld wordt gevoerd als juist in de VS. De door die wet opgelegde halfjaarlijkse meldingsplicht van contacten heeft dat niet kunnen vermijden. Wij moeten in Europa niet die richting uit.

Veel belangrijker is het dat de lobbyisten hun eigen gedragsregels ontwikkelen, en ook toepassen. De door Wesselius genoemde beroepsvereniging van Europese lobbyisten SEAP, waarvan ik voorzitter ben, is precies daarmee bezig.

De SEAP-gedragscode bevat regels die de transparantie in het contact met de beleidsmakers vooropstellen. Onze leden, en de meeste lobbyisten in Brussel, verstoppen zich niet achter ,,misleidende mantelorganisaties'', maar geven hun identiteit, en het belang dat zij vertegenwoordigen vanaf het eerste contact aan. Veel lobbyisten vertegenwoordigen Europese brancheorganisaties (in mijn geval de keramische industrie), zodat er geen misverstand kán bestaan over het belang dat vertegenwoordigd wordt.

In de vertechnocratiseerde moderne democratie kan de lobbyist niet gemist worden als bron van informatie voor de beleidsmakers. Dat is zeker zo in `Brussel', dat wat verder afstaat van de praktijk dan de nationale overheden.

Het voorprogramma

Pijnlijk werd gisteren tijdens het slotdebat voor de NOS-televisie in het Haagse café Dudok de rangorde van de nationale en de Europese politiek duidelijk. In het voorprogramma mochten vier Eurolijsttrekkers opdraven - Van den Berg (PvdA), Eurlings (CDA), Maaten (VVD) en Buitenweg (GroenLinks). Met een half oor luisterden de aanwezigen naar het viertal, dat enigszins plichtmatig zijn vaste punten naar voren bracht. Af en toe moesten de lijsttrekkers met stemverheffing spreken, want het geroezemoes in de zaal dreigde hen te overstemmen. Daarna werd het geleidelijk aan tijd voor de echte finale met de grote jongens uit Den Haag - zes heren, Femke Halsema van GroenLinks ontbrak ditmaal. Zeker, de fractieleiders uit de Tweede Kamer - Verhagen (CDA), Bos (PvdA), Van Aartsen (VVD), Marijnissen (SP), Herben (LPF) en Dittrich (D66) - lieten ook even hun licht schijnen over zaken als de Europese defensie en de Europese financiën. Maar waar de zaal echt ademloos naar luisterde waren de vinnige discussies over de merkwaardige val van staatssecretaris Nijs en de vraag of Nederland zijn militaire aanwezigheid in Zuid-Irak dient te verlengen of niet. Vooral Bos lag onder vuur, omdat zijn partij nog altijd niet wil aangeven of ze akkoord gaat met zo'n verlenging. ,,Waarom nu wachten, Wouter?'', riep Dittrich, die na lang aarzelen zelf net instemming met verlenging had betuigd. CDA-er Verhagen was milder voor Bos. Hij sprak zijn vertrouwen uit in een goede afloop. ,,Ik gun Bos die extra dag nadenken wel.''