Zet meer Nederlanders aan tot seizoensarbeid

Er moeten regelingen komen voor opeenvolgende seizoensarbeid om de paradoxale situatie op te lossen dat de meeste seizoenarbeiders uit het buitenland komen terwijl de werkloosheid in Nederland hoog is, vindt Raymond Potsdammer.

Het is een telkenjare terugkerend raadsel: ondanks zijn werklozen lukt het de land- en tuinbouwsector in Nederland niet om voldoende arbeidskrachten te vinden die bereid zijn de handen uit de mouwen te steken bij bijvoorbeeld de aardbeienpluk, het aspergesteken of het rooien van bloembollen.

De huidige aanpak is, dat eerst door de centra voor werk en inkomen (CWI, voorheen de arbeidsbureaus) in het werklozenbestand wordt gezocht naar geschikt aanbod. Is dat er niet of onvoldoende, dan wordt gezocht binnen de Europese Unie (EU) en de Europese Economische Ruimte (EER: IJsland, Zwitserland, Liechtenstein en Noorwegen). Als dit niets oplevert worden tewerkstellingsvergunningen verleend aan arbeiders van buiten de EU.

Uit gegevens van het CWI blijkt, dat in 2003 8.372 vacatures door de land- en tuinbouwsector waren gemeld. Op deze vacatures zijn uiteindelijk maar 117 werkzoekenden geplaatst afkomstig uit de bakken van de CWI's – en dat terwijl er zo'n 700.000 mensen als werkloos stonden geregistreerd. Nog zo'n 364 vacatures werden vervuld met aanbod uit andere EU-landen. En de rest, daarvoor zijn 6.574 tewerkstellingsvergunningen afgegeven. Aan bijvoorbeeld mensen uit Polen dat toen nog geen lid was van de EU.

De nieuwe Wet Werk & Bijstand die op 1 januari 2004 van kracht is geworden, zou hierin verandering moeten brengen. Deze wet moet het mogelijk maken om meer mensen met een (werkloosheids/bijstands)uitkering aan het werk te krijgen.

Er zijn oplossingen denkbaar. Oplossingen die de werkloosheid kunnen terugdringen en het volume aan uitkeringen verminderen, die bijdragen aan de bestrijding van het te werk stellen van illegale arbeiders en die wellicht ook in seizoensgevoelige branches als de horeca en de bouw kunnen worden toegepast. Het roer moet om. Het is maatschappelijk onaanvaardbaar, dat wanneer sprake is van voldoende werk is, er een groep werklozen is, die niet gemotiveerd kan worden om aan de slag te gaan. Het is eveneens maatschappelijk onaanvaardbaar dat dan maar illegale arbeiders naar Nederland worden gehaald, omdat ze zoveel meer gemotiveerd zijn, veel harder en langer werken en daarbij het risico lopen te worden uitgebuit. Ook na de uitbreiding van de EU met 10 nieuwe lidstaten en er dus gemakkelijker werknemers uit die nieuwe lidstaten kunnen worden geworven, is het zaak prioriteit te geven aan de bestrijding van de werkloosheid in Nederland.

Om te bewerkstelligen dat meer werkzoekenden aan de slag gaan, moet worden geprobeerd om de verschillende seizoensgebonden activiteiten aaneen te schakelen.

In dat geval kan aan werkzoekenden voor een langere periode uitzicht op werk worden geboden en wordt het voor hen aantrekkelijker om aan het werk te gaan. Nu speelt voortdurend het probleem, dat werklozen niet voor een maand asperges gaan steken of aardbeien gaan plukken. De uitkering biedt voor zo'n korte periode veel meer comfort dan werken op het land. Ook de land- en tuinbouw kan proberen om voor een periode van bijvoorbeeld 6 of 8 maanden de krachten te bundelen.

Vervolgens zou door de oprichting van verschillende mobiliteitscentra ofwel regionale banenpools, verspreid over heel Nederland, in de personeelsbehoefte van de verschillende werkgevers kunnen worden voorzien. Het CWI selecteert daartoe werkzoekenden uit zijn bestand en kijkt veel meer naar wat iemand kan, dan waarvoor iemand is opgeleid. Deze werknemers komen in dienst van de mobiliteitscentra en worden vervolgens gedetacheerd c.q. uitgeleend aan verschillende bedrijven. Deze mobilteitscentra kunnen in de vorm van een stichting worden aangestuurd met daarin vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, de overheid (provinciaal/gemeentelijk) en het Centrum voor Werk & Inkomen. Of op (semi)commerciële basis door een uitzendorganisatie, of door de uitzendorganisatie deel te laten nemen aan het stichtingsbestuur.

Een tewerkstellingsvergunning kan worden verleend aan arbeidskrachten van buiten de EU, wanneer een mobiliteitscentrum over onvoldoende geschikt aanbod van arbeidskrachten kan beschikken. Maar eerst zal moeten worden aangetoond, dat alle pogingen om geschikt aanbod te vinden binnen Nederland en/of de EU en EER geen resultaat hebben gehad.

Het aantal te verlenen vergunningen moet wel aan een limiet zijn gebonden. En jaarlijks neerwaarts worden bijgesteld, zolang Nederland of de EU nog kampt met grote werkloosheid. Daarmee worden partijen gedwongen zich tot het uiterste in te spannen om via de inzet van Nederlandse werklozen in de behoefte aan arbeidskrachten te voorzien. Primair zal het beleid zich moeten richten op de werving van werklozen in Nederland, alvorens binnen de vergrote EU te gaan zoeken. Anders blijft Nederland kampen met een hoge werkloosheid en moet de staat jaarlijkse miljoenen euro's uitgeven aan werkloosheidsuitkeringen. Maar wellicht dat door de toevloed van arbeidskrachten uit de nieuwe lidstaten er geen tewerkstellingsvergunningen meer hoeven te worden verleend.

De beloning voor seizoengebonden werk moet aantrekkelijker zijn dan het hebben van een uitkering. Een prikkel om arbeid te aanvaarden kan uitgaan door bijvorbeeld 110 procent van het wettelijk minimumloon of het geldende caoloon te betalen. Daar tegenover zou iemand die zonder een aantoonbaar gewichtige reden – aangeboden werk weigert, direct moeten worden gekort op de uitkering, dan wel dient de uitkering te worden stopgezet. De nieuwe Wet Werk & Bijstand biedt al mogelijkheden hiertoe.

Wanneer het seizoenwerk eindigt kunnen de werknemers van het mobiliteitscentrum elders worden ingezet, bijvoorbeeld bij de aanleg van wegen of hoveniersactiviteiten.

Deze centra zullen zo nodig moeten zorgen voor transport van werknemers in de regio naar de verschillende bedrijven, alsmede voor adequate huisvesting. De werknemer ontvangt een adequate beloning en kan rekenen op fatsoenlijke huisvesting. En fraude door het niet afdragen van belasting en sociale premies wordt voorkomen.

De bedrijven die werknemers van het mobiliteitscentrum `lenen' betalen een tevoren vastgesteld tarief aan het centrum. Zij zijn immers bevrijd van alle administratieve rompslomp en de zorg voor adequate huisvesting en dergelijke.

Raymond Potsdammer heeft verschillende bestuurs- en adviesfuncties vervuld in organisaties voor de publieke arbeidsvoorziening en was lid van de groep van European experts on quality management.