Strijden tegen `doodgravers' Europa

Euroscepsis viert onder de kiezers in Europa dezer dagen hoogtij. Massaal mijden ze de stembus en populisten trekken alle registers open. `Het sijpelt door in het hele politieke spectrum.'

Een bedroevend lage opkomst en een electorale doorbraak van rechtspopulisme in verschillende landen, waaronder Engeland en Polen. Dat zijn twee belangrijke resultaten die politieke analisten verwachten bij de verkiezingen voor het Europees Parlement.

Hoe machtiger het Europees Parlement, hoe geringer de opkomst, lijkt het wel. Toen het in 1979 voor de eerste keer direct werd gekozen kwam 63 procent van de kiezers opdagen. Sindsdien kreeg het op tal van terreinen aanzienlijk meer te zeggen, maar daalde de animo van stemmers gestaag, tot nog geen 50 procent bij de vorige keer (1999).

Peilingbureaus voorspellen ditmaal een vergelijkbare opkomst, waarbij opvalt dat de scores van de tien landen die op 1 mei bij de EU kwamen beduidend achterblijven bij die in de `oude' EU (38 om 52 procent).

Scheidend voorzitter Pat Cox van het Europees Parlement sprak deze week zijn teleurstelling, om niet te zeggen: frustratie, uit over het geringe Europese gehalte van de campagnes. ,,Het spijt me, maar het Europese debat ontbreekt te vaak en op te veel plaatsen'', aldus Cox. Maar uit niets blijkt dat de opkomst groter zou zijn als de stembusstrijd minder nationaal gekleurd zou zijn.

Het probleem zit veel dieper, zegt de filosoof en socioloog Eric Corijn, hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel en co-auteur van Populisme, een onlangs verschenen bundel essays. Daarin betoogt Corijn dat de representatieve democratie langs traditionele partijlijnen door verschillende maatschappelijke ontwikkelingen – ontzuiling, depolitisering, commercialisering en massamedia, in het bijzonder televisie – fundamenteel van karakter is veranderd. De stijl van politiek bedrijven die daar op aansluit, is het populisme, zegt Corijn. ,,De stijl kenden we, maar absoluut nieuw is de dominante rol van televisie daarin.'' Het plaatst serieuze politici voor ,,een verscheurend dilemma'', zegt hij. ,,Als ze niet in de massamedia komen, krijgen ze geen stemmen en bestaan ze niet. En als ze er wel aan meedoen, worden ze in een format van spelletjes, verkleutering en oneliners geperst waarmee ze hun standpunten geweld aandoen.''

Dit proces is niet goed voor de democratie, vindt Corijn, maar het is volgens hem voor democratische partijen verdraaid lastig om zich er aan te onttrekken. ,,Het sijpelt door in het hele politieke spectrum.'' Wel bespeurt hij bij rechtse en extreem-rechtse partijen minder scrupules om zich populistisch te manifesteren dan bij partijen in het midden en ter linkerzijde.

Deze inschatting wordt – voorzichtig – gedeeld door Bartho Boer en Hans Vollaard van de Universiteit Leiden. Ze zijn betrokken bij een onderzoek naar euroscepsis in een groot aantal EU-landen. ,,De thema's waarop Europa nu wordt bevochten, lenen zich beter voor rechtse partijen om zich te profileren'', zegt Boer. Hij doelt op de Europese grondwet (identiteit en soevereiniteit), de asiel- en immigratiepolitiek, de toetreding van Turkije en de omvang van het Europese budget (geld).

Euroscepsis is een containerbegrip. Je komt het in allerlei varianten en gradaties tegen in vrijwel alle politieke stromingen. In Nederland wordt het etiket zowel op de rechtsliberale VVD als de socialistische SP geplakt. Maar waar de VVD vooral beducht is voor verdere politieke integratie, heeft de SP veeleer weerzin tegen verdere liberalisering van de gemeenschappelijke markt. Dit laatste sentiment is ook terug te vinden in de opstelling van de Deense Socialistische Volkspartij SF en de verschillende communistische partijen en de Duitse PDS, de opvolger van de vroegere Oost-Duitse communistische partij.

Hoe eurosceptisch soms ook, afwijzen doen deze gevestigde partijen de `Europese constructie' geen van alle. Daarvoor moet men bij partijen als de Deense Volkspartij of de Italiaanse Lega Nord zijn. Of, nog radicaler, bij de Deense Junibeweging van Jan-Peter Bonde, de Oostenrijkse FPÖ en de Britse UK Independent Party. Deze Britse protestpartij doet het in de peilingen zó goed, dat de Britse Conservatieven – patenthouder van euroscepsis – er zenuwachtig van worden. ,,Net als de Irakezen willen wij onze soevereiniteit terug'', roept UKIP-lijsttrekker en voormalig talkshow-presentator Robert Kilroy-Silk op elke spreekbeurt.

Voor al deze partijen geldt dat ze zich min of meer aan de politieke gedragscodes houden. Ook de Oostenrijkse FPÖ, wier regeringsdeelname vier jaar geleden nog de toorn van de overige EU-landen opriep, maar die sinds voorman Jörg Haider naar de achtergrond verdween minder aanstootgevend opereert en trouwens ook in de kiezersgunst is geduikeld.

Dat kan niet gezegd worden van extreem-rechtse partijen als het Vlaams Blok (België), het Front National (Frankrijk), MIÉP (Hongarije) en Samoobrona (Polen). Die hebben gemeen dat ze een provocerende cocktail van bekrompen nationalisme, vreemdelingenhaat en eurofobie serveren, waartoe blijkens de peilingen steeds meer kiezers – een door de Europese Commissie gesubsidieerd onderzoek spreekt van een ,,klasse van moderniseringsverliezers'' – zich aangetrokken voelen.

Hun leiders trekken dezer dagen alle anti-Europese registers open. De bejaarde Franse FN-leider Jean-Marie Le Pen schildert ,,de Brusselse eurocraten'' gewoontegetrouw af als ,,de doodgravers van de Europese naties''. Zijn veel jongere Poolse evenknie Andrzej Lepper roept tegen iedereen die het horen wil dat ,,de Polen zijn bedrogen'' bij de toetreding tot de Europese Unie.

Ook als deze uitgesproken populistische partijen zetels winnen, dan leggen ze in het nieuwe Europarlement niet direct veel meer gewicht in de schaal. Veeleer stellen ze het nationale bestel op de proef, met voor Polen een reële kans op een politieke crisis, en voor België en Frankrijk opnieuw de vraag naar de effectiviteit van de strategie (cordon sanitaire) van de gevestigde partijen tegen het Vlaams Blok en het Front National.