Richt de Royal Dutch University op

Wie de kenniseconomie wil stimuleren, moet zorgen voor subliem onderwijs aan de meest getalenteerde studenten. Dat is veel effectiever dan proberen een groot aantal studenten met een achterstand naar een gemiddeld niveau te tillen, vindt Jaap Goudsmit.

Aan ambitie ontbreekt het Nederland niet: zo snel mogelijk een vooraanstaande kenniseconomie te worden. Tegelijkertijd is voor iedereen duidelijk dat Nederland als gevolg van twintig jaar falend overheidsbeleid achterop is geraakt. In politieke kringen is het altijd bon ton geweest te zeggen dat als de middelmaat maar een beetje beter onderwijs kreeg, alles goed kwam. Niets is minder waar. De kenniseconomie wordt vooral gedreven door subliem onderwijs te geven aan de meest getalenteerde studenten en niet door de vele studenten met een achterstand naar een gemiddeld niveau te tillen.

Hét grote probleem is dat de Nederlandse universiteiten in onderwijskundig opzicht ver achterop zijn geraakt. Ze hebben weliswaar gepoogd, ondanks de bezuinigingen, de kwaliteit van het onderzoek in stand te houden, maar de vernieuwingen en verbeteringen in het onderwijs zijn langs hen heengegaan. Voorts is de studentenpopulatie te homogeen, zowel wat nationaliteit als wat talent betreft.

Nederland besteedt gemiddeld per student te weinig en helemaal te weinig aan de getalenteerde student. Een karige 4.000 à 5.000 euro en dat is grof geschat zo'n vier keer te weinig als het niet tien keer is. Universiteiten missen reserves om getalenteerde studenten beurzen te geven, nieuwe computernetwerken aan te leggen, betere sport- en andere voorzieningen te bouwen en betere docenten aan te trekken.

Gemotiveerde studenten hebben een bevlogen en knappe leermeester nodig en briljante medestudenten om te kunnen gedijen en het beste uit zich zelf te halen. Onze knapste koppen zitten in het buitenland. Nederlandse Nobelprijswinnaars van de laatste jaren, Crutzen en Van der Meer, geven geen les aan eerstejaars op een Nederlandse universiteit en veel van Nederlands beste onderzoekers geven onderwijs op het MIT, Stanford of Rockefeller in de Verenigde Staten. Vergelijk dat eens met vroeger: de natuurkundige Johannes Diderik van der Waals bijvoorbeeld, die in 1910 de Nobelprijs voor Natuurkunde won, was eerst jarenlang leraar op een HBS voordat hij hoogleraar werd. De kwaliteit van de middelbare school, met name de toenmalige HBS, zal zeker substantieel hebben bijgedragen aan de hoge kwaliteit op de universiteit van toen.

Het is erg dat de beste Amerikaanse, Franse of Duitse hoogleraren niet staan te dringen om op een Nederlandse universiteit les geven om het gebrek aan eigen aanwas te compenseren. Dat is misschien wel erger dan dat het buitenland profiteert van Nederlands talent. Wat hier resteert zijn eilandjes met een enkele knappe kop op een enkele faculteit op één van de vele Nederlandse universiteiten. Die knappe kop heeft zich ook nog eens een `ivoren toren'-mentaliteit aangemeten. Deze houding wordt in belangrijke mate veroorzaakt doordat hoogleraren zeker zijn van baan en pensioen en niet hoeven te onderhandelen over de kwaliteit van hun werk.

Behalve de `ivoren-toren'-mentaliteit leggen veel hoogleraren een antimaatschappelije houding aan de dag. En dat terwijl al ongeveer een kwart van het onderzoek door de industrie wordt betaald. De achterliggende gedachte voor deze houding lijkt te zijn dat te veel contact met de industrie ertoe zal leiden dat het fundamenteel onderzoek wordt opgeheven en plaats moet maken voor toegepast onderzoek.

Een fundamentele misvatting: wat de industrie zoekt bij de universiteit, is basale kennis die complementair is aan de toegepaste kennis van het bedrijfsleven en die voor toepassing in aanmerking komt. Dit is over het algemeen het beste fundamentele onderzoek en het is een van de redenen, zo niet de belangrijkste, dat bijvoorbeeld de meeste biotech- en farma-industrieën vooral met Amerikaanse universiteiten samenwerken en niet met Europese. Een andere reden is dat Nederlandse universiteiten altijd de waarde van hun bijdrage overschatten en zeer bureaucratisch zijn. Als het al tot een samenwerking komt, verloopt die moeizaam: ons huidige stelsel dwingt een wetenschapper de gelden van de industrie te misbruiken. Immers, het ontbreekt de universiteit aan voldoende financiën voor het eigen onderzoek van de desbetreffende hoogleraar en die zal dus snel geneigd zijn het geld van de industrie het eerst daarvoor te gebruiken – waarmee niet bepaald het goede voorbeeld aan studenten wordt gegeven.

Het moge duidelijk zijn: het roer moet om. Wij hebben de tijd mee – al klinkt dat cynisch. Maar dit jaar hebben zich eenderde minder buitenlandse studenten op Amerikaanse universiteiten aangemeld vanwege veiligheidsmaatregelen ter bestrijding van het terrorisme. Hier ligt een kans voor Europa, en Nederland daarbinnen. Wij moeten dan wel erkennen dat toename in kwaliteit van de student en toename in kwaliteit van zijn docent (en niet zozeer de kwaliteit van de onderzoeker) het meeste zal bijdragen aan het kennisniveau in ons land. Dit vereist een drastische ommezwaai in beleid.

Een commissie van Nederlanders, werkzaam in het buitenland of met de nodige ervaring in het buitenland, aangevuld met een aantal buitenlandse universiteitsbestuurders, kan dit proces het beste begeleiden. Dus géén mensen met een vaste baan bij een Nederlandse universiteit, noch vertegenwoordigers van het Haagse `old boys network' noch van NWO of KNAW-bestuurder in die commissie. Een `on-Nederlandse' oplossing is geboden ter voorkomen van zelfgenoegzaamheid.

Vooruitlopend op deze commissie moet een een duaal universiteitsysteem worden ingevoerd, volgens het Amerikaanse model van selective colleges versus non-selective colleges, maar zonder het onderscheid, zoals in de VS, tussen private versus publieke financiering. Een exclusieve universiteit, de Royal Dutch University (RDU), en een National University of Holland (NUH), die algemeen toegangelijk is. Binnen de RDU zijn geen vaste banen, behalve voor Nobelprijswinnaars als Crutzen of een buitenlander van dat kaliber. Studenten, zowel alfa's als bèta's, die naar de RDU willen, worden streng geselecteerd op beste van de klas, beste eindexamen, score in de SAT (Standard Admission Test) – overname van de Amerikaanse toelatingseisen is onvermijdelijk – op motivatie (interviews), op sociale bewogenheid (werkervaring bij Amnesty of War Child), op leiderschapskwaliteiten (redactie schoolkrant) en op kwaliteiten als uitmuntendheid in sport of muziek.

De samenstelling van de studentenpopulatie als geheel moet, net als in de VS, zeer veel aandacht krijgen met accent op diversiteit in talent en in geografische herkomst. Op alle Amerikaanse universiteiten wordt misschien wel de meeste aandacht besteed aan de diversity of the student body en dat is een van de grote voordelen boven ons systeem. Aldus vinden twee selecties plaats: de selectie van de individuele student én de selectie van de eerstejaars studentenpopulatie als geheel. Voor wat betreft het onderwijsprogramma: dat moet worden opgeknipt in semesters en cursussen zoals in de `selective colleges' in de VS, om aldus de vrijheid van de student te vergroten, met name in de eerste jaren van de studie.

De import van getalenteerde buitenlandse studenten voor de RDU zou de motor van onze kenniseconomie moeten worden. Maar dan moeten die geniale studenten uit Azië, Rusland of Polen zich wel willen opgeven en daarvoor moet de RDU aantrekkelijker gemaakt worden dan het gefragmenteerde universitaire systeem zoals we dat nu in Nederland kennen. Om de acht universiteiten in tweeën te splitsen, heb ik een grof wapen gehanteerd: de ISI highly cited lijst van Thomson Corporation (www.ISIhighlycited.com), waarop de 48 meest geciteerde Nederlandse onderzoekers in de bèta-wetenschappen staan.

Meer dan de helft van de meest geciteerde onderzoekers zijn werkzaam of verbonden aan de Universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam. Deze drie universiteiten zouden moeten worden verenigd tot de Royal Dutch University.

De Vrije Universiteit, de Universiteiten van Rotterdam, Groningen, Nijmegen en Maastricht worden vervolgens tot verschillende campussen van de National University of Holland uitgeroepen en de toegang tot deze universiteiten is minder beperkt en moet voor elk kind dat het VWO heeft doorlopen, toegankelijk zijn. Maar ook daar moet het onderwijs zich natuurlijk kunnen meten met andere landen in Europa. De voertaal van de Royal Dutch University zou Engels moeten zijn, die van de National University of Holland Nederlands.

Tot slot: de financiering. De Amerikaanse topuniversiteiten vragen niet alleen zeer hoge collegegelden, maar beschikken door giften van hun alumni over miljarden dollar reserves. Nederland kent de laatste tientallen jaren meer miljonairs en miljardairs dan ooit, maar de cultuur van het geven van grote sommen geld aan instituties waar men zijn rijkdom aan te danken heeft of aan goede doelen, ontbreekt veelal.

Op de korte termijn kan en zal de oplossing dus niet komen van privé-giften. Dat betekent, dat de financiering van de nieuwe universiteitsstructuur van de overheid zal moeten komen. Alleen als de overheid de eerste stap zet, zullen bedrijven als Shell, Philips of Unilever bereid zijn een steentje bij te dragen. Het gaat eerder over tientallen miljarden dan om luttele miljoenen over de komende vijf jaar. Zonder deze investeringen gaat onze economie kennisloos ten onder.

Prof.dr. J. Goudsmit is hoogleraar armoede gerelateerde infectieziekten (AMC), Universiteit van Amsterdam en wetenschappelijk directeur van het biotech bedrijf Crucell.