Je bent je bedrijf niet

Het is op deze plek tot nu toe gegaan over gebeurtenissen die van buiten op de manager, de bestuurder of toezichthouder in ondernemingen afkomen – de externe feiten dus. Waar ik het ook over wil hebben zou je de interne feiten kunnen noemen: hoe is het om bestuurder te zijn of het te willen worden, wat beweegt je, welke invloed heeft je positie op je leven en is dat uiteindelijk waar je blij van wordt?

Op dit gebied heb ik recht van spreken. In de eerste plaats omdat ik tussen 1980 en 1995 bestuurder was in ondernemend Nederland was. Dat is voor jonge managers grijze prehistorie, maar veel van de huidige hoogvliegers zijn mijn generatiegenoten. Zij vliegen nog. Ik heb hoog gevlogen, ben neergestort, en heb iets geleerd. In de tweede plaats omdat ik tegenwoordig beroepshalve dagelijks met hen spreek over juist dit soort vragen. Niet om te proberen hen te overtuigen dat crashen een goed idee is en dat ze mij dus zouden moeten navolgen. Maar om het te hebben over vragen als: ,,Waar droomde je vroeger van en hoe is dat te vergelijken met de werkelijkheid van nu? Heb je een vermoeden waarvoor je op aarde gekomen bent, ben je daar nu mee bezig en zo niet: welke afslag heb je gemist? En is er een weg op de kaart te vinden, een Autobahn of een landweg, die je alsnog in de richting van je bestemming brengt?''

Een van de dingen die ik geleerd heb is dat je als ondernemer je bedrijf niet bent, en omgekeerd. Ooit, toen ik begon op dit pad, meende ik dat strategie, planning en uitvoering uitputtend bepaalden of een project of een onderneming een succes zou worden. Als het dat niet werd, dan had je kennelijk niet slim genoeg gedacht of niet hard genoeg gewerkt. Maar gaandeweg kwam ik erachter dat er onzichtbare krachten mij achteruit trokken terwijl ik bezig was vooruit te duwen. Zo ontstond er een soort bijgeloof bij me. Ik had aanvankelijk de neiging daar engelen en demonen bij te denken, maar toen bedacht ik dat ik hetzelfde soort krachten tegenkwam wanneer ik thuis probeerde mijn vrouw en kinderen te laten doen wat ik vond dat moest gebeuren.

Toen ben ik als gedachte-experiment maar eens gaan aannemen dat ook een organisatie of een onderneming een persoonlijkheid is, met zijn voorkeuren en afkeer, zijn goede ervaringen en zijn trauma's. Dat maakte de boel veel duidelijker. Vooral toen ik er verder bij bedacht dat deze persoonlijkheid misschien ook wel eigen doelstellingen heeft. Niet de doelstellingen die ik in het jaarplan had opgeschreven, maar de doelstellingen die er al waren voordat ik in beeld kwam. A priori doelstellingen, die het bedrijf alleen maar kon verwezenlijken door daar mensen voor in te huren. Want een bedrijf zonder mensen is machteloos. Zoals ook een bloem machteloos is waar het om zijn toekomst gaat. Die moet een bij verlokken om te doen wat moet gebeuren, door aan te bieden waar zij behoefte aan heeft – nectar. Zo ook verlokt een bedrijf mij door mij aan te bieden wat voor mij begeerlijk is – een efficiënte secretaresse, een prestigieuze auto, uitnodigingen voor bijeenkomsten en skyboxen, geld, status, en een of twee mooie huizen.

Maar let op: zelfontplooiing en werken aan je bestemming zitten niet in het pakket! Integendeel. De deal tussen bloem en bij is: hier is je nectar, en nu vliegen, beest! Tussen het bedrijf en mij: hier zijn al je speeltjes – en nu claim ik je energie, je levenskracht, je leven. Als je erbij neervalt, jammer voor jou. Ik heb als bedrijf te zorgen voor mijn doelstellingen, namelijk groei en continuïteit, en daar ben jij nu voor ingehuurd. Jij hebt je eigen levensdoelstellingen, daar heb je zelf voor te zorgen. Als het meezit kun je op jouw beurt mij daar een tijdje voor inhuren. Maar ik ben ik en jij bent jij.

Al het bovenstaande geldt natuurlijk niet alleen voor wie de top al bereikt heeft. Het werkt ook, en misschien nog wel sterker, voor wie onderweg is of net begint. Dan is de honger groter, de verlokking zoeter.

Niemand zegt dat persoonlijke en bedrijfsdoelstellingen noodzakelijk uiteen lopen. Zeker in het begin van de relatie zijn ze vaak zelfs uitzonderlijk parallel. Juist daardoor ontstaat een soort roes, de bedwelming van de perfecte dans. Het gaat goed, de nectar is overvloedig en zwaar, maar ,,wat zit er veel stuifmeel aan mijn poten. Ja, ik voel me wel een beetje futloos en bedrukt de laatste tijd, maar ik zou niet weten wat ik anders zou moeten doen dan wat ik nu doe. Dus vlieg ik nog maar even door, al kost het wel steeds meer moeite. Ik zal me eens laten nakijken. Als ik meer tijd heb. Later.''

Toen ik crashte, met mijn snuit vol nectar en mijn poten vol stuifmeel, was ik 45. Dat was uitzonderlijk jong, en achteraf was dat een geluk. ,,Eén groot risico voor jou'', zei een wijze vrouw mij in de periode die volgde, ,,is dat je alsnog in de verliezerspoule gaat proberen je revanche te halen.'' Ik geloof dat dat gevaar intussen geweken is. Ik heb de bedwelming gekend, ik ben eruit gevallen, en ik leef. Voor doelstellingen waarvan ik nu geloof dat ze authentiek de mijne zijn.