Goede cijfers door `positief beleid'

De economie van België groeit sneller dan die van andere landen in de Europese Unie. Bovendien slaagt de paarse regeringscoalitie er al vijf jaar in het overheidsbudget in evenwicht te houden.

De Belgische topeconoom Paul de Grauwe beschuldigde onlangs de regerende liberalen (VLD) èn de christen-democratische oppositie (CD&V) ervan te liegen over de economie. Door een selectieve cijferpresentatie probeert de VLD van premier Guy Verhofstadt in de aanloop naar de regionale verkiezingen van zondag de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn, terwijl de Vlaamse CD&V het omgekeerde doet. De waarheid ligt natuurlijk in het midden.

Opvallend is dat de Belgische economie sinds 2002 sneller groeit dan de Nederlandse economie, die vorig jaar zelfs met 0,7 procent kromp. De Belgische economische groei ligt meestal ook boven het gemiddelde in de eurozone. Volgens de Nationale Bank zou de Belgische economie in 2004 met 2,3 procent kunnen groeien, wat nog wat optimistischer is dan de 2,0 procent die de Europese Commissie voorspelde. Bovendien slaagt de paarse coalitie er al vijf jaar in om het overheidsbudget in evenwicht te houden, terwijl Nederland van Brussel de `rode kaart' kreeg wegens overschrijding van de drie-procentstekortnorm van het Stabiliteits- en Groeipact.

Volgens premier Verhofstadt zijn de goede cijfers te danken aan een ,,positief regeringsbeleid'', waarbij hij vooral wijst op lastenverlagingen voor werkenden. Toch plaatsen experts de nodige kanttekeningen. En werkgeversorganisaties zijn niet tevreden. De verlaging van het tarief vennootschapsbelasting – naar 34 procent voor grote en 24 procent voor kleine bedrijven – werd gefinancierd door het schrappen van aftrekposten. President Guy Quaden van de Nationale Bank waarschuwde onlangs dat de bovengemiddelde economische groei ,,niet altijd'' zal blijven. De groei in België loopt door de specifieke industriële structuur enkele maanden voor op andere landen in de eurozone, omdat de Belgische ondernemingen veelal toeleveranciers zijn van industriële bedrijven in de buurlanden.

Het Nationaal Planbureau was vorige maand kritisch over de Belgische begroting. Volgens het Planbureau dreigt een budgettekort. En dat kan België zich met een overheidsschuld van 100 procent van het bruto binnenlands product absoluut niet permitteren. De megaschuld is een erfenis van de aloude `wafelijzerpolitiek' – waarbij de communautaire vrede tussen Vlaanderen en Wallonië met geld wordt afgekocht – en van geldverslindende overheidsbedrijven als het intussen failliete Sabena. Ter vergelijking: Nederland zit met zijn schuld onder de drempel van 60 procent uit het Stabiliteitspact voor de euro.

Het Belgische budgetevenwicht is vooral het resultaat van eenmalige maatregelen. Zo incasseerde de Belgische schatkist vorig jaar 5 miljard euro (2 procent van het bbp) door de overdracht van het pensioenfonds van telecombedrijf Belgacom, dat naar de beurs ging. Volgens het Planbureau moet België in 2005 rekenen met een tekort van 1,2 procent en in 2006 van 1,4 procent. Het Planbureau spreekt van een `expansief' budgetbeleid. De gezondheidsuitgaven gaan fors omhoog en de belastingen omlaag.

Het maakt de financiële speelruimte voor het paarse kabinet uiterst klein. Als de rente de komende jaren oploopt, merkt België dat door de hoge staatsschuld direct in de schatkist. Toch moet de fiscale en sociale lastendruk op arbeid, die in België nog steeds tot de hoogste in de eurozone behoort, verder omlaag om de concurrentiekracht te versterken. Vooral de liberale VLD maakt zich hier sterk voor: geen belasting voor lage inkomens, lagere belasting op ploegendiensten, vennootschapsbelasting van minder dan 30 procent voor grote en minder dan 20 procent voor kleine bedrijven. De hoge productiviteit heeft de hoge lastendruk jarenlang gecompenseerd, maar de internationale concurrentie neemt ook door de EU-uitbreiding verder toe.

De werkgelegenheid neemt volgens het Planbureau, ondanks de lopende lastenverlaging op arbeid, slechts mondjesmaat toe met 30.000 arbeidsplaatsen per jaar, wat onvoldoende is om de werkloosheid van ruim 8 procent (ongeveer het gemiddelde in de eurozone) te laten dalen. België kampt bovendien nog altijd met de laagste arbeidsparticipatie in de eurozone onder 55-plussers: slechts 26,6 procent tegen een Europees gemiddelde van ruim 40 procent. Vakbonden koesteren het kostbare systeem van `brugpensioenen'. De lage arbeidsparticipatie is in België in feite de keerzijde van de relatief hoge productiviteit.

Alleen al om de kosten van vergrijzing beheersbaar te houden moet de arbeidsparticipatie fors omhoog. Volgens de Hoge Raad voor de Financiën moet België vanaf 2011 vele jaren een budgetoverschot van 1,5 procent handhaven om deze kosten na 2020 te kunnen dekken.

Maar structurele economische hervormingen verlopen in België met z'n sterke vakbondstraditie moeizaam. Wallonië hangt nogal eens aan de rem, zoals bij hervorming van de sociale zekerheid. Ook de liberalisering van de energiesector blijft achter, waardoor bedrijven in België ruim 6 procent per kilowattuur meer betalen dan in de buurlanden. Door jarenlange bezuinigingen op overheidsinvesteringen werkt bovendien de overheid relatief inefficiënt.

De Europese Commissie en internationale organisaties als de OESO wijzen erop dat België zijn groeipotentie fors kan vergroten met een hogere arbeidsparticipatie. Bij de uitgaven voor innovatie is België intussen bezig aan een inhaalslag. Uit een recente enquête blijkt dat Vlaanderen met zijn uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van 2,6 procent van het bbp al bijna voldoet aan de Europese doelstelling van 3 procent. Nederland blijft hier ruim achter.

Maar ook president Guy Quaden van de Nationale Bank legde in zijn jongste jaarverslag opnieuw de vinger op de zwakste plek in de Belgische economie: ,,Er valt niets te bereiken als geen significante vooruitgang wordt geboekt bij het dichten van de kloof in de arbeidsparticipatie.''

    • Hans Buddingh'