Geen talent voor dubbele agenda

Staatssecretaris Annette Nijs had moeite met het politieke spel. Toch slaagde ze erin om haar revolutionaire plannen voor selectie in het hoger onderwijs door de Tweede Kamer te loodsen.

,,Ik ben niet de gemakkelijkste'', zei Annette Nijs gisteren na haar aftreden als staatssecretaris van Onderwijs. Haar medewerkers zullen het beamen. Als enige van de drie bewindslieden van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) had Nijs geen vaste chauffeur en secretaresse, maar uitzendkrachten. Ze volgden elkaar te snel op voor een dienstverband.

Nijs is niet alleen veeleisend voor haar medewerkers. Haar ambitie en werklust bezorgden haar elf maagzweren, zo onthult ze in het interview in Nieuwe Revu dat een einde maakte aan haar kortstondige politieke carrière. De opmerkingen over de slechte relatie met minister Van der Hoeven werden haar fataal, maar het interview is vooral een persoonlijk portret. Perfectionisme is haar leidraad, zo blijkt. ,,Ik vind nu eenmaal dat ik alles moet geven. Van een 8 of een 9 kan ik niet genieten – het moet een 10 zijn.''

Aan gedrevenheid ontbrak het Nijs niet. In korte tijd heeft ze veel overhoop gehaald op haar belangrijkste beleidsterrein, het hoger onderwijs. Intelligentie mist ze evenmin. Wat haar vanaf het begin is aangerekend, is sociale en politieke onhandigheid. Dat ze op dat vlak in twee jaar tijd weinig heeft geleerd, bleek dinsdagavond tijdens het Kamerdebat over het omstreden interview. Haar verweer – ,,Ik sta wel voor wat ik heb gezegd, maar niet voor het beeld dat daardoor is opgeroepen'' – kon niemand overtuigen.

Annette Nijs (Waalwijk, 1961) werd in juli 2002 door VVD-leider Zalm het kabinet Balkenende I binnengeloodst. Ze kwam uit Manilla, waar ze werkte als manager e-commerce voor Shell. Eerder werkte ze, na een studie economie in Rotterdam, voor Shell in Den Haag, Oman en Londen. Haar politieke ervaring was gering: korte periodes was ze voorzitter van de JOVD, de jongerenorganisatie van de VVD en fractiemedewerkster van de VVD in het Europees Parlement. Zalm wilde graag een vrouw, en passeerde de gedoodverfde kandidaat, onderwijswoordvoerder Clemens Cornielje.

Terwijl andere nieuwkomers van buiten zich bekwaamden in het politieke spel, behield Nijs het imago van buitenstaander. Wat in de verontwaardiging over het Revu-interview verloren is gegaan, is dat Nijs waarschijnlijk gelijk heeft als ze zegt dat zij, anders dan minister Van der Hoeven, niet bedreven is in het spelen van politieke spelletjes. Komend uit een bedrijfscultuur van eenduidig te behalen targets, mist ze het talent voor de dubbele agenda.

De prolongatie van Nijs in het kabinet Balkenende II verraste zowel de Tweede Kamer als het onderwijsveld. Haar eerste periode was moeizaam, met aanvaringen met haar minister en met studenten. Met name haar opmerking in november 2002 dat de rijksbijdrage beperkt zou moeten blijven tot één studie per student, zorgde voor veel onrust. De Kamer toonde zich kritisch over de proefballon en de laconieke reactie van Nijs op de publieke berisping van Van der Hoeven. Nijs zei dat ze van het debat had geleerd. ,,Ik besef nu wel dat een openbaar debat voor een staatssecretaris wat lastig is.''

Proefballonnen liet ze sindsdien achterwege, maar de confrontatie bleef ze opzoeken. VVD-leider Zalm roemde gisteravond de verfrissende wijze waarop Nijs met het onderwijsveld omging. Opmerkelijk was het inderdaad, haar bezoek aan diverse collegezalen (`Nijs on tour') om de meningen van studenten te polsen over studiefinanciering. Ontspannen speelde ze de prikkelende gespreksleider, studenten uitdagend om haar tegen te spreken. Maar door haar weigering te zeggen wat ze van plan was, werd ze nooit een vriend van de studentenorganisaties.

Toch gaat de staatssecretaris niet de geschiedenis in als brekebeen. In april boekte ze een politieke overwinning die nog lang zal doorklinken in het hoger onderwijs. Met onverwachte steun van de PvdA kreeg ze haar omstreden plannen door de Tweede Kamer. Hogescholen en universiteiten krijgen de mogelijkheid om eerstejaars studenten een toelatingstoets af te nemen (selectie aan de poort) en om meer collegegeld te vragen voor kwalitatieve topopleidingen (differentiatie van collegegeld). In een land met een sterke egalitaire traditie, zeker in het onderwijs, betekent dat een revolutie. Het ,,wegrukken van de verstikkende gelijkheidsdeken'' noemde Nijs gisteren haar grootste wapenfeit. Ook tegenstanders zullen moeten erkennen dat ze het debat over dit thema heeft weten te openen.

Haar opvolger zal het ingezette beleid, bedoeld om het Nederlandse hoger onderwijs beter te laten concurreren met onderwijs elders, waarschijnlijk voortzetten. Wat er met andere, zo mogelijk nog ambitieuzere hervormingsplannen gebeurt, is nog onduidelijk. Nijs wilde ook de studiefinanciering herzien, en het systeem om de onderwijsinstellingen te bekostigen. Nu het hoger onderwijs in een paar weken tijd zowel de verantwoordelijke topambtenaar als bewindspersoon heeft verloren, vrezen studentenorganisaties en universiteiten langdurige stilstand.

Niemand lijkt echt rouwig om het vertrek van Nijs. Met haar hoekige optreden heeft ze veel mensen tegen zich in het harnas gejaagd. Toch is het opmerkelijk dat alle woede van de Tweede Kamer zich deze week richtte op het feit dat ze een politieke code had verbroken, en niemand inging op hetgeen ze zei in het interview. Nijs viel door het politieke spel dat ze probeerde aan te klagen.