De poëzie telt, niet de tierelantijnen

Het zomernummer van Awater, huisorgaan van de in 2001 door Dichter des Vaderlands, Gerrit Komrij, opgerichte Poëzieclub, is verschenen in een nieuw jasje. Zeg maar gerust een mooi vallende mantel van licht ruisende stof. Het formaat is handzamer geworden, de lay-out strakker, de indeling overzichtelijker dan voorheen. Het aanvankelijk enigszins amateuristisch aandoende blad oogt nu professioneel.

Ook de inhoud is er op vooruitgegaan. Behalve veel hoogwaardige poëzie (nagelaten werk van Jan G. Elburg, de laatste gedichten van C.O. Jellema en nieuwe gedichten van Joost Zwagerman en Luuk Gruwez) is er veel plaats ingeruimd voor interviews met en profielen van dichters. Het blad opent met een voortreffelijk profilerend interview met de dertigjarige succesvolle Nederlandse dichter Alfred Schaffer, die sinds 1996 werkzaam is aan de universiteit van Kaapstad. Het stuk is een ideale mix van analyse van Schaffers werk (hij publiceerde drie bundels), de invloeden die hij onderging (vooral van Nachoem Wijnberg en John Ashbery) en relevante biografische informatie.

Precies met dat laatste – wat is het belang van allerlei buitenliteraire informatie voor een oordeel over de gedichten? – houdt criticus en dichter Rob Schouten zich bezig in een essay over het schrijven van poëzierecensies. Hij blijkt affiniteit te voelen met de school van New Critisism, in Nederland in de jaren zestig vertegenwoordigd door het tijdschrift Merlyn, dat probeerde zich afzijdig te houden van de context waarin literatuur ontstaat en zich te concentreren op de tekst zelf.

Schouten geeft eerlijk toe dat hem dat meestal niet lukt. Hij laat zich beïnvloeden door talloze buitenliteraire factoren, zoals de uitgeverij waarbij een bundel is verschenen, de typografie, de foto van de auteur op het omslag, de biografische gegevens die er over hem of haar verstrekt worden. Als een bundel bij Querido verschijnt zijn de verwachtingen hoger gespannen dan als hetzelfde werk wordt uitgegeven door De Prom of De Geus. ,,En was hetzelfde spul in eigen beheer uitgegeven dan keek ik er vermoedelijk niet eens naar om.'' Een nogal kortzichtige benadering: een criticus heeft ten slotte ook tot taak zich te laten verrassen en nieuw talent te ontdekken.

Mijn indruk is dat Awater een beetje te nadrukkelijk de tegenpool wil zijn van het jong gestorven Merlyn: teveel context en irrelevante biografische ditjes en datjes. Dieptepunt in dit nummer is een `reportage' op schoolkrantniveau over een zoektocht in het Groningse dorp Garnwerd naar dichteres Fritzie ten Harmsen van der Beek. De vier pagina's oeverloos geklets met dorpsgenoten en buurvrouwen leveren geen enkele informatie op.

Gelukkig staan er tegenover dit soort bijdragen tien pagina's met serieuze recensies van volgens de redactie de tien belangrijkste recent verschenen dichtbundels, geschreven door critici voor wie voornamelijk de poëzie en niet de tierlantijnen eromheen tellen. Ook is er een poëzie-agenda met data van alle poëziefestivals en -evenementen de komende maanden.

Awater, zomer 2004, jaargang 3, nr. 2. Uitg. Stichting Poëzieclub, prijs 5,75 euro