Chinezen gedood in Afghanistan

Bij een aanslag in het noorden van Afghanistan zijn gisteren elf Chinese arbeiders om het leven gekomen. Vijf anderen raakten gewond.

De Chinezen werkten aan de aanleg van een weg in de buurt van de Noord-Afghaanse stad Kunduz, zo'n honderd kilometer ten noorden van het gebied waar Nederlandse militairen naar verwachting vanaf begin augustus actief zullen zijn.

Volgens de politie van Kunduz lagen de arbeiders te slapen in tenten toen acht aanvallers het vuur openden. De aanslag is nog niet opgeëist. Volgens de lokale politie gaat het om een aanslag door aanhangers van de vogelvrij verklaarde oud-premier van Afghanistan, Gulbuddin Hekmatyar.

Tot voor kort was het noorden van het land betrekkelijk veilig, maar vorige week werden in het noorden al vijf medewerkers van Artsen zonder Grenzen, onder wie een Nederlander, gedood. In september moeten er in Afghanistan verkiezingen worden gehouden, maar de aanslagen zorgen voor veel onrust. De Verenigde Naties hebben de registratie van stemgerechtigden in de omgeving van Kunduz stopgezet.

In Kabul wordt betwijfeld of de aanslag expliciet gericht was tegen de Chinese arbeiders. China steunt de Amerikaanse oorlog tegen het terrorisme, maar heeft zijn misprijzen over de oorlog in Irak meermaals uitgesproken. Ook heeft China in het kader van een bilateraal akkoord ingestemd met kwijtschelding van de Afghaanse schulden aan China.

Chinese boeren melden zich uit armoede aan als werknemer in oorlogsgebieden als Afghanistan. In april werden zeven Chinese arbeiders kort gegijzeld in de Iraakse stad Falluja. Ze werden na 36 uur vrijgelaten.

De woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Peking zei in een reactie op de aanslag in Kunduz dat China niet zal toegeven aan terrorisme. ,,China heeft een traditionele vriendschap met Afghanistan en zal blijven meewerken aan de opbouw van het land''.