Alleen voor Nijs is `de affaire' afgelopen

De gang van zaken rond het aftreden van staatssecretaris Nijs roept, niet voor de eerste keer, de vraag op wie de `echte' politieke leider van de VVD is, betoogt J.M. Bik.

Langs de weg naar de uitgang die staatssecretaris Annette Nijs in de loop van woensdag alsnog, tegen haar zin, moest gaan, liggen weliswaar geen lijken, maar het rijtje gekwetsten is wel vrij aanzienlijk. Die zijn vooral in de deze week toch al bijzonder geplaagde VVD te vinden. Want het naar diepe rancune neigende interview in het Algemeen Dagblad waarin oud-vice-premier en oud-fractieleider Dijkstal maandag, vlak voor de Europese verkiezingen, de ,,nieuwe'' politieke koers van zijn partij alsook fractievoorzitter Van Aartsen en minister Verdonk aanviel, was eigenlijk al genoeg voor een week liberale hoofdpijn.

Maar er lag nóg een interview klaar voor publicatie, namelijk van staatssecretaris Nijs met het weekblad Nieuwe Revu, waarin zij zich beklaagde over ,,haar'' minister, Van der Hoeven, en ,,haar'' ambtenaren (op OC&W) en bovendien over het koninklijk huis opmerkingen maakte die een staatssecretaris voor zich moet houden. Al met al lag er in wat zich sedert afgelopen weekeinde ontwikkelde tot de even wonderlijke als unieke affaire-Nijs nog veel meer politiek-personele pijn besloten dan in de affaire-Dijkstal.

De zotheid ten top werd gisteren bereikt. 's Ochtends, maar een half etmaal na een hoogst pijnlijk Kamerdebat, vielen de minister en haar staatssecretaris elkaar voor het front van hun aangetreden ambtenaren naar zij zeiden voorgoed in de armen. Even later, tijdens een bezoek van de door media-echo's gealarmeerde VVD-top (vice-premier Zalm, Van Aartsen en de partijvoorzitter), besloot de loslippige staatssecretaris om toch maar te vertrekken. Je vraagt je intussen af wat die partijvoorzitter kwam doen, het vroegere VVD-boegbeeld P.J. Oud zou hem de Kamer uitgebonjourd hebben.

Geblesseerd is nu, naast mevrouw Nijs, haar ontdekker Zalm, die zich tijdens de formatie van het tweede kabinet-Balkenende natuurlijk wat meer gelegen had moeten laten liggen aan het verzoek van CDA-minister Van der Hoeven om mevrouw Nijs wegens eerdere perikelen (in Balkenende-I) liever niet weer te kandideren als staatssecretaris op haar ministerie. Maar helaas, Zalm is een knappe man als thesaurier, zijn politieke antenne en tactische intuïtie zijn echter soms minder dan zijn rechtlijnigheid. Uiteenlopende figuren als FNV-chef De Waal en de Duitse minister van Financiën, Eichel, kunnen dat beamen.

Van de eerste maakte Zalm voor de camera onlangs een kwajongen, de tweede nagelde hij vorig jaar aangaande het Stabiliteitspact op het Europese toneel openlijk aan de schandpaal. Heel rechtlijnig. Die Zalm moet vorig jaar tijdens de formatie hebben gedacht: wat zo'n CDA-ministertje als Maria van der Hoeven niet wil dat haar geschiedt, zal ik haar als VVD-leider dus juist wél laten geschieden. Daarvoor heeft hij nu een prijs mogen betalen.

Geblesseerd is ook Van Aartsen, die een mooie gelegenheid voorbij liet gaan om het zijnerzijds vaak zo fraai bezongen dualisme tussen regering en parlement te praktiseren. Namelijk door zelf in een openbaar debat in de Tweede Kamer het vertrouwen in de overduidelijk mislukte staatssecretaris op te zeggen. In plaats daarvan meed hij dat debat, wegens campagneverplichtingen, en liet het aan een arme fractiegenoot over om een rare, natuurlijk via het monistische bovenluik aangereikte, verzoenende tekst uit te spreken. Een tekst als: het was weliswaar een onverstandig interview van mevrouw Nijs, maar nu de minister die zij min of meer voor rotte vis heeft uitgemaakt toch wel met haar verder schijnt te willen en zij zelf toch ook zo'n zin heeft om er nog eens drie jaar ,,goed tegenaan'' te gaan, moesten we maar overgaan tot de orde van de dag.

In de wat kritischere tekst van de CDA-woordvoerder hoorde je dat bovenluik ook nog wel meeklapperen trouwens. Ooit, niet vijftien jaar maar eeuwen geleden lijkt het, trok een VVD-leider genaamd Bolkestein aandacht met zijn pleidooien voor de zogenoemde Carrington-theorie. De Britse naamgever van die theorie geldt als voorbeeld van een zeer zuivere hantering van de volle ministeriële verantwoordelijkheid. Hij trad af zonder dat premier Thatcher of het parlement daarom gevraagd hadden, maar omdat hij zélf vond dat dat nodig was.

Die theorie is een snelle en zachte dood gestorven aan het Binnenhof, ook onder de VVD'ers die daar werken. Dat was al gebleken in de `sorry-cultuur' der paarse jaren (1994-2002) en dat blijkt nu, ten overvloede, nogmaals in de affaire-Nijs. Want 1) de staatssecretaris had de eer aan zichzelf moeten houden en zélf afgelopen weekeinde moeten aftreden, of dat aftreden moeten aankondigen; of 2) minister Zalm had haar direct van de noodzaak van die stap moeten overtuigen; of 3) Van Aartsen had haar in een Kamerdebat als verklaard dualist openlijk, en zelf, moeten vertellen dat zijn fractie geen vertrouwen meer in haar kon hebben.

Het is niet om die Van Aartsen, die niet dol is op het CDA, te plagen, maar er was eens, tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-'77), een staatssecretaris van Justitie, de D66'er Glastra van Loon, die zich in een interview beklaagde over de hoogste ambtenaar op zijn ministerie. Wat deed de toenmalige minister van Justitie, de latere CDA-leider Van Agt? Hij eiste direct, met recht, het ontslag van die staatssecretaris en drukte dat ook door, tot grote woede van zijn progressieve coalitiepartners.

Maar er zijn niet alleen VVD'ers beschadigd. Nee, ook premier Balkenende, die in het weekeinde een rol speelde in de plak-en-kram-ploeg die minister Van der Hoeven en staatssecretaris Nijs alsnog dwong, uiteraard in grote beslotenheid, tot een ongeloofwaardige politieke omhelzing, staat sinds gisteren behoorlijk te kijk. Hij was niet de chef die zonodig met de vuist op tafel slaat, al was dat wél nodig. Hij was liever de vriendelijke moderator die de kool en de geit spaart om de wegens electoraal opportunisme zo bezorgde VVD-top een paar dagen voor de Europese verkiezingen niet te derangeren. En om de spanning tussen de VVD-kanonnen Zalm en Van Aartsen niet verder op te jagen.

Want daarin ligt, zo valt te vrezen, uiteindelijk ook in deze kwestie de kern van het probleem. Wie van de twee is de `echte' politieke leider van de VVD? Zalm, die als nieuwe eerste man na Dijkstals grote nederlaag in 2002 de ,,personele vernieuwing'' ter hand nam en onder meer de staatssecretarissen Nijs, Rutte en Schultz van Haegen ontdekte? Maar die in 2003 vice-premier in het kabinet-Balkenende II werd, wat zijn profilering als VVD'er moeilijker maakte. Of de tegen Zalms zin gekozen fractievoorzitter Van Aartsen? De oud-minister dus die qua functie, en eveneens qua ambitie en feeling, eigenlijk meer voor de hand ligt als politiek leider. Al is het nog maar de vraag hoe hij het met zijn enigszins bestudeerde, deftige joligheid als lijsttrekker zou doen namens een partij die straks graag weer stevig boven dertig zetels in de Tweede Kamer wil komen.

Wat dat betreft zijn kwesties als de affaire-Nijs alleen afgelopen voor Annette Nijs, voorheen Shell-manager in Manila, die op 16 november 2002 in deze krant op de vraag of zij lang in de politiek dacht te blijven, antwoordde dat dat ervan afhing ,,of de manier waarop ik politiek bedrijf aanslaat''. Uitsluitsel had zij daarover in feite al eerder gekregen, maar sinds de hoogst bijzondere vertoningen van gisteren is dat pas officieel.

J.M. Bik is redacteur van NRC Handelsblad.