`Rennen en vliegen is gewoon leuk'

Ronald Kramer (49) blijft zich inzetten voor de recreatieve sporter, ook al is hij gestopt als directeur breedtesport van NOC*NSF. ,,We beseffen niet hoe belangrijk bewegen is.''

Ronald Kramer is weg als directeur breedtesport van sportkoepel NOC*NSF, maar ook weer niet. Hij is per 1 mei weliswaar met zijn werkzaamheden voor recreatieve sporters gestopt, maar hij is (nog) niet officieel uit dienst getreden. Dat heeft te maken met zijn bemoeienis met de voorbereidingen voor de ministersconferentie van de Europese Unie waarmee het themajaar `Opvoeding door Sport' dit najaar in Nederland wordt afgesloten. Een onderwerp waarmee hij als voorzitter van de Stuurgroep School en Sport sowieso affiniteit heeft. ,,Noem het mijn loyaliteit aan de sport'', zegt Kramer.

Hoe begripvol Kramer er ook over praat, zijn vertrek bij NOC*NSF is door raadsels omgeven. Hij weerspreekt dat onvrijwillig afscheid is genomen, ook al vervalt als gevolg van bezuinigingen door een interne reorganisatie de functie van directeur breedtesport misschien. ,,De keus om te vertrekken is in goed overleg met NOC*NSF gemaakt. Het was mijn opdracht breedtesport op de kaart te zetten. Daaraan heb ik voldaan, mijn taak is volbracht. Ik wilde evenwel meer. Maar dan praat je over initiatieven die niet door NOC*NSF alleen uitgevoerd kunnen worden. Te weinig invloed? Misschien gingen zaken wel langzamer dan ik wilde. Maar zo gaat dat nu eenmaal binnen een systeem gebaseerd op sterke conventies.''

Teleurgesteld is hij tussendoor wel geweest, geeft Kramer toe. ,,Maar daar ben ik overheen. Ik bekijk mijn situatie nu zeer positief. Ondermeer als plaatsvervangend directeur curatieve zorg bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heb ik ruim twintig jaar ervaring opgedaan bij de overheid. Dat gevoegd bij het functioneren binnen een koepelorganisatie en de kennis van de sportsector, komt er vast wel iets op mijn pad.''

Maar hoe moet het nu verder met de breedtesport bij NOC*NSF als de directeur niet wordt opgevolgd? En de sector bovendien de gevolgen ondervindt van de overheidsbezuinigingen op sport. Kramer is allerminst sceptisch. ,,Als je het landelijk bekijkt, heb je helemaal niet veel geld voor breedtesport nodig; wel visie en doorzettingsvermogen. Breedtesport speelt zich voornamelijk op lokaal niveau af. Als ik op basis van de 4,5 miljoen recreatieve sporters in Nederland een berekening bij NOC*NSF had ingediend, was ik nooit aan de klus begonnen. Ik vind dat de sport eerst naar zichzelf moet kijken. Er zouden samen met het onderwijs en bedrijfsleven veel meer initiatieven tot bewegen ontwikkeld moeten worden.''

Kramer heeft daar wel ideeën over. Op bedrijventerreinen ziet hij genoeg ruimte om sportvoorzieningen voor personeel aan te leggen. Maar dan moeten bedrijven wel het nut van bewegen inzien en sport een plaats willen geven in hun economisch systeem. In zijn vorige functie heeft Kramer daar al gesprekken over gevoerd met de werkgeversorganisatie VNO/NCW, waar naast terughoudendheid ook enthousiasme bestaat. Kramer: ,,Er wordt over nagedacht in de stichting Maatschappij en Onderneming, een verzameling deskundigen die over de rol van ondernemers in de samenleving nadenkt. Dat proces gaat niet zo snel; er liggen geen blauwdrukken klaar. Gelukkig is het argument dat sporten tot een hoger ziekteverzuim leidt achterhaald, omdat onderzoek heeft uitgewezen dat bij fitte werknemers absentie terugloopt. Alleen de MKB-bedrijven hebben door hun kleinschaligheid meer moeite met blessures van sportende werknemers.''

Met zijn vertrek bij NOC*NSF heeft Kramer zijn banden met de breedtesport niet compleet doorgesneden. Zo blijft hij stichtingsvoorzitter van de Nationale Sportweek, die in april voor het eerst werd gehouden. Kramers motivatie is vooral ingegeven door zijn zorg over de toename van overgewicht. ,,Uit onderzoek blijkt dat in ons land 8.000 mensen overlijden aan inactiviteit; in Engeland zijn dat er 30.000. Dat trek ik me aan; daar wil ik mijn energie in steken. We beseffen kennelijk niet hoe belangrijk bewegen is. We moeten leren dat rennen en vliegen gewoon leuk is; het zou een integraal onderdeel in ieders bestaan, van jong tot oud, moeten zijn.''

Hoewel in de grote steden de traditionele sportclubs onder druk staan, ziet Kramer het Nederlandse verenigingssysteem niet verdwijnen. De bakermat van de breedtesport moet naar zijn mening wel professioneler gaan denken en opener worden. ,,Ik denk dan aan naschoolse opvang en huiswerkbegeleiding, activiteiten waar de gemeenschap mee gediend is'', zegt Kramer, die een omslag in denken vaststelt. ,,Door de bezuinigingen wordt de sport tot verandering gedwongen. We moeten over het bestaansrecht van de sport nadenken. Daarin zie ik niet alleen een rol voor de rijksoverheid weggelegd. De markt moet het oppakken, de overheid moet wel de infrastructuur bieden. Zo zal de lokale overheid in het kader van het gezondheidsbeleid moeten investeren en bijvoorbeeld bij wijkaanleg meer rekening moeten houden met sportieve activiteiten door bredere fietspaden aan te leggen en een maatregel af te kondigen dat de fietser altijd voorrang heeft. In sport rendeert particulier initiatief, dat beklijft.