Verdeel stemmers niet in doelgroepen

Richt de overheidsvoorlichting op het denkende deel der natie, schreef Alfred Pijpers (Opiniepagina, 26 mei). Alleen op die manier kan misschien een zo lage opkomst als bij de Europese verkiezingen van 1999 worden voorkomen, toen ongeveer 30 procent van de Nederlandse kiesgerechtigden ging stemmen.

Richt je niet op groepen als jongeren en allochtonen, want dat is verspilde energie en weggegooid geld. De kans op een hoge opkomst zou het grootst zijn als de voorlichting gericht zou worden op de door Pijpers zo scherp geïdentificeerde doelgroep. Daar zitten immers de mensen die al belangstelling hebben en die betrokken zijn, en daar is in termen van extra opkomst dan ook het meest te halen.

Hier valt wel wat op af te dingen. Ten eerste kan het zo zijn dat het de overheid, die meerdere opkomstbevorderende en voorlichtingsactiviteiten in het algemeen onderneemt, niet alleen maar in de hoogte van het opkomstcijfer is geïnteresseerd. Men kan ook bewust letten op de groepen waarvan men hoopt de opkomstbereidheid wat omhoog te krijgen. Het idee zou kunnen zijn dat de mensen die al een forse mate van interesse en politieke kennis hebben, zichzelf wel weten te redden. Het zouden volgens deze redenering vooral de mensen zijn die zich weinig politiek betrokken voelen, die men probeert te bereiken en te overtuigen. Dat is een helse klus met een ongetwijfeld in opkomstpercentages gemeten teleurstellend resultaat, maar het kan zijn dat de overheid liever een extra allochtone jongere weet over te halen dan vijf blanke hoogopgeleide mannen van middelbare leeftijd.

Ten tweede is een opvallend, en ronduit beledigend element in Pijpers betoog dat er kennelijk een heldere scheidslijn kan worden getrokken tussen allochtonen en jongeren aan de ene kant, en het denkende deel der natie aan de andere. Hoe die grens vanuit het idee van de vertegenwoordigende democratie kan worden aangebracht, is een raadsel.

Ten derde hangt Pijpers zijn verhaal op aan het idee van legitimiteit van de Europese Unie. Het thuisblijven van ,,grote aantallen werkloze jongeren of allochtone vrouwen'' zou aan die legitimiteit weinig afdoen. Die zou eigenlijk pas echt geschaad raken ,,als een paar honderdduizend lezers van deze krant dat doen''. Alsof na 10 juni aan het opkomstcijfer kan worden afgelezen wie wel en wie niet naar de stembus is gegaan.

Wat Pijpers bovendien ongenoemd laat, is dat de mate van legitimiteit wellicht wordt afgelezen aan het opkomstcijfer, maar dat de relatie zeker ook andersom geldt. Juist omdát het het Europees Parlement aan legitimiteit lijkt te ontbreken en het daardoor makkelijk is te geloven dat wat daar gebeurt er weinig toe doet, laat men het afweten.

Voorlichting op zich kan de bekendheid van het Europees Parlement vergroten maar niet de legitimiteit ervan. Alleen als het Europarlement nadere belangrijke institutionele veranderingen zal ondergaan en nog veel meer te zeggen krijgt dan nu het geval is, bestaat er een kans dat op termijn de legitimiteit toeneemt. Voor de komende verkiezing van 10 juni zit dat er niet meer in.

Kiezers gaan naar de stembus als er, in hun ogen, iets te kiezen valt. Dat geldt voor Pijpers' denkende deel der natie niet meer of minder dan voor al die andere kiesgerechtigden. Dat er niets te kiezen zou zijn, omdat de politieke partijen allemaal hetzelfde zouden willen in en met Europa, is in dit verband een hardnekkig misverstand. Kijk naar de programma's van de 15 lijsten waarop de Nederlander kan stemmen, en heel verschillende plannen komen daaruit naar voren. Neem alleen al de toekomst van de EU zelf.

Wie campagne kan en moet voeren, doet het niet of al te onzichtbaar, en de zichtbare campagne van de overheid is er één met de handen op de rug gebonden. Zo lijkt de meest recente Gallup-voorspelling van een opkomst in Nederland van 38 procent aan de optimistische kant.

Huib Pellikaan en Joop van Holsteyn zijn verbonden aan het departement Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden.