Radar in Rotterdam

Morgen is het honderd jaar geleden dat in de haven van Rotterdam de allereerste radar werd gedemonstreerd. Hij deed het prima, maar raakte al snel weer vergeten.

De allereerste radar (een acroniem van `radio detection and ranging') werd gebouwd door Christian Hülsmeyer, een toen 22-jarige technicus uit Düsseldorf. Zijn vinding, die hij Telemobiloskop had genoemd, stond op een bootje van de Holland-Amerika-Lijn en zond elektrische golven over het water. Als die in een bepaalde richting door een metalen schip werden teruggekaatst, rinkelde er een bel. Zo kon al varende de aanwezigheid van andere schepen in de omgeving worden gesignaleerd.

Het principe van radar was bekend sinds 1887. De Duitse natuurkundige Heinrich Hertz produceerde toen in Karlsruhe `elektrische golven' – radiogolven – die door metalen voorwerpen van richting veranderden. Christian Hülsmeyer (1881-1947), zoon van een timmerman in Eydelstedt (nu Barnstof, bij Diepholz), herhaalde deze experimenten kort vóór 1900. Zo kwam hij op de gedachte om radiogolven aan te wenden voor het detecteren van schepen, om de kans op aanvaringen tijdens slecht zicht of in het donker te verkleinen.

In 1902 vestigde Hülsmeyer zich in Düsseldorf, waar hij twee jaar later met een financier uit Keulen de `Telemobiloskop-Gesellschaft Hülsmeyer & Mannheim' oprichtte. Op 30 april 1904 vroeg hij octrooi aan op wat nu de oer-radar wordt genoemd. Zijn Telemobiloskop zou gaan bestaan uit een vonkzender die continu radiogolven opwekte. Die golven konden via een antenne met draaibare reflector in iedere gewenste richting worden gezonden. De door metalen voorwerpen teruggekaatste golven werden opgevangen door een tweede antenne, boven de eerste, en omgezet in een stroompje dat een bel activeerde.

Op 17 mei 1904 demonstreerde Hülsmeyer een eenvoudig, in één richting zendend proefmodel op de Rijnoever in Keulen voor vertegenwoordigers van twee Duitse scheepvaartmaatschappijen. Die demonstratie, over korte afstanden, was volgens de Kölnische Zeitung `zeer succesvol'. Kort daarna ontvingen Hülsmeyer en Mannheim een brief van Jan Volkert Wierdsma, president-directeur van de Holland-Amerika-Lijn in Rotterdam. Die nodigde hen uit hun prototype te demonstreren tijdens het scheepvaartcongres dat in juni in Scheveningen werd gehouden. Zij konden dan in Rotterdam beschikken over de Columbus: een bootje van de HAL dat passagiers van de wal naar lijnschepen bracht en omgekeerd.

Op 9 juni 1904 hield Hülsmeyer een voordracht voor vertegenwoordigers van acht scheepvaartmaatschappijen, waarna het gezelschap met de Columbus de Nieuwe Maas op voer. Volgens de notulen van het congres bewezen de proeven, ,,hoewel op zeer beperkte schaal en met nog niet voltooide apparatuur, dat het principe van de uitvinder werkte. Telkens wanneer er, zelfs op zekere afstand, een vaartuig passeerde, reageerde het apparaat direct.'' Ook het dagblad Scheepvaart en De Telegraaf van 11 juni spraken lovend over het experiment. Zij wezen ook op het mogelijk belang van de vinding voor oorlogsdoeleinden.

Ondanks al deze positieve reacties was geen enkele onderneming echter bereid geld in de ontwikkeling van de Telemobiloskop te stoppen. Sommige bronnen menen dat de tijd nog niet rijp was voor deze vinding. Mogelijk gaf de opkomst van de draadloze telegrafie al zo'n gevoel van veiligheid dat men de noodzaak van teledetectie op zee nog niet inzag. Verder kon Hülsmeyer met zijn apparaat alleen de aanwezigheid van schepen vaststellen en niet hun afstand (hoewel hij een methode suggereerde om dat via driehoeksmeting toch – zij het ruwweg – mogelijk te maken).

Maar volgens Arthur Bauer, auteur van de onlangs verschenen publicatie Christian Hülsmeyer and about the early days of radar inventions, is er wellicht nog iets gebeurd. Uitputtend archiefonderzoek heeft niet alleen verscheidene historische onjuistheden over de periode-Hülsmeyer aan het licht gebracht, maar ook aanwijzingen dat hij een groter apparaat heeft gebouwd dat in de herfst van 1904 bij Hoek van Holland werd beproefd. Tijdens een scheepvaartcongres dat in juni 1905 in Londen werd gehouden, werd bekendgemaakt dat die proef was mislukt. De oorzaak daarvan is vooralsnog een raadsel, maar het zou kunnen verklaren waarom de Telemobiloskop-Gesellschaft in oktober 1905 werd opgeheven en de oer-radar verdween. Pas een kwart eeuw later begon de definitieve ontwikkeling van de radar.

In de Centrale Bibliotheek van Rotterdam loopt tot 30 juni de minitentoonstelling `Honderd jaar radar in Rotterdam'.