Gerommel met beloningen blijft

Europarlementariërs uit elf landen hebben een nieuwe code ondertekend om misbruik van vergoedingen tegen te gaan. De eerdere code was geen succes.

Het Oostenrijkse europarlementslid Hans-Peter Martin liep afgelopen jaar met een verborgen camera rond in het Europees Parlement. Hij registreerde hoe collega's hun handtekening in het aanwezigheidsregister zetten, daarmee 262 euro dagvergoeding toucheerden, en vertrokken. Het waren dezelfde beelden als vijf jaar geleden, toen gemaakt door onderzoeksjournalisten.

Martin legde met zijn camera ook gesprekken vast. Collega's gaven er over op hoe ze hun inkomsten belastingvrij oppoetsten met een deel van hun royale vergoedingen. Reino Paasilinna, een Finse afgevaardigde, zei zo 20.000 euro per maand over te houden. Dezelfde verhalen als vijf jaar geleden.

Aan de vooravond van de vorige (1999) Europese verkiezingen waren de negatieve berichten voor Nederlandse europarlementariërs aanleiding om een gedragscode te maken, en om in het parlement te ijveren voor hervormingen en controle. Volgens de initiatiefnemers dankten de leden hun slechte imago aan hun eigen laksheid om het graaien in de kas te beëindigen. ,,Daarom maken we nu een afspraak met de kiezers.''

Nu duiken weer dezelfde berichten op als vijf jaar geleden. Niet alleen van de als nestbevuiler te kijk gezette Hans-Peter Martin, maar ook uit andere bronnen. De Nederlandse leden ontbreken niet: slechts een minderheid blijkt de gedragscode uit 1999 te hebben nageleefd.

Net als vijf jaar geleden ondertekenen nieuwe kandidaten weer een code om iets te veranderen. In elf lidstaten beloven 229 kandidaten (onder wie 138 Britten en 50 Nederlanders) volgens de Campaign for Parliament Reform om hun riante vergoedingen en privileges, en het misbruik daarvan, af te schaffen. Een van de ondertekenaars is Reino Paasilinna.

De kritiek op het parlement behelst het misbruik van de vergoedingen, de omvang van de vergoedingen, de slechte interne controle en de uiteenlopende salarissen van de leden. De salarissen worden per lidstaat bepaald (en betaald), en kennen grote verschillen.

Sinds 1998 discussiëren parlement en Europese Raad (de regeringen van de lidstaten) over een statuut dat voor álle europarlementariërs moet gelden: iedereen hetzelfde salaris, soberdere onkostenvergoedingen en betere controle. Zo'n statuut is er na zes jaar praten nog steeds niet.

De laatste poging mislukte een paar maanden geleden. Het parlement zou het eisenpakket wat minderen, onder meer inzake de pensioenleeftijd van de leden. Die zou van 60 naar 63 jaar gaan. In ruil zou de Raad akkoord gaan met een salaris van 8.600 euro per maand voor alle leden. De Nederlanders krijgen nu zo'n 5.400 euro.

Maar de Raad ging op de valreep niet akkoord. Vooral Duitsland had bezwaren tegen de hoogte van het salaris dat de leden wilden. Zo blijven de salarisverschillen bestaan. Met de komst van Oost-Europese landen worden ze zelfs groter. Een Italiaans lid (131.700 euro per jaar) verdient bijna vier keer zoveel als een Spaans lid (36.700 euro). Een Hongaars lid ontvangt net geen 9.700 euro per jaar.

De salarisverschillen zijn in het verleden opgevoerd als verklaring voor de hoge onkostenvergoedingen. Bij gebrek aan één statuut konden `arme' collega's uit Spanje, Portugal en onder meer Griekenland geholpen worden door hen geld te laten overhouden van de royale vergoedingen. De goedbetaalde leden uit Italië, Duitsland en bijvoorbeeld Nederland profiteerden echter óók van de riante vergoedingen. De kloof bleef daardoor net zo groot. Het werd voor iedereen alleen meer.

Het ophogen van de vergoedingen heeft meer oorzaken. Zo bestond vanaf het begin een wedijver met de goedbetaalde Europese ambtenaren. De leden vinden het onverteerbaar dat veel ambtenaren meer verdienen dan zij. Nog steeds krijgt een ervaren parlementsbode meer dan een parlementariër uit Portugal.

Daarbij komt dat de leden twintig jaar lang in staat waren om ongecontroleerd hun vergoedingen te verhogen. Een waakzaam oog ontbrak, ook van journalisten. Bovendien was er geen remming door de lidstaten. De regelingen werden jaarlijks geïndexeerd naar het gewogen Europees inflatiegemiddelde. Dat liep snel op – zeker na het toetreden begin jaren tachtig van Griekenland waar de inflatie 25 procent per jaar bedroeg. De uitgaven voor de leden – voor onkostenvergoedingen, verzekeringen en pensioenen – zijn in 25 jaar duizelingwekkend gestegen. In 1977 kostte één afgevaardigde 25.690 euro, in 1999 296.300 euro en vorig jaar bijna 330.000 euro.

Bij een grote meerderheid van de europarlementariërs bestond tussen 1979 en 1996 geen bereidheid mee te werken aan het versoberen of zelfs transparant maken van vergoedingsregelingen. Als voorzitter van het parlement bond de Nederlander Piet Dankert (PvdA) als eerste tussen 1982 en 1984 de strijd aan met misbruik en slechte controle. Dankert liep stuk op het verzet van een meerderheid en de hervormingen verdwenen van de agenda.

In de loop der jaren is een voorzieningenpakket ontstaan dat zijn weerga in Europa niet kent. Extreme reiskostenvergoedingen, waar leden uit verre lidstaten een compleet belastingvrij inkomen aan overhouden, riante verblijfsvergoedingen en een forfaitaire onkostenvergoeding (44.000 euro) waarvan uitgaven niet onderbouwd hoeven te worden. En een secretariaatsvergoeding (150.000 euro per jaar) die enkele tientallen leden geheel of gedeeltelijk aan familieleden laten overmaken.

Dan zijn er nog gratis verzekeringen tegen ziekte, diefstal en schade, een gratis levensverzekering, die 15.338 euro uitkeert als een zestigjarig lid na tien jaar levend en wel het parlement verlaat. Er is een telematicavergoeding, een overbruggingstoelage bij vertrek, vergoedingen voor taal- en computercursussen, een ouderdomspensioen, een aanvullende vrijwillige pensioenregeling en een nabestaandenpensioen. Allemaal betaald door het parlement of aangeboden tegen uitverkooptarieven.

Pas met de kritische berichtgeving in de periode 1996-1999, en de daarop volgende druk vanuit de lidstaten, groeide bij een aantal leden het inzicht dat het zo niet langer kon. Het parlement stemde in met enkele maatregelen die misbruik beperken. PvdA-europarlementslid Michiel van Hulten, één van de initiatiefnemers voor de gedragscode, pleitte als rapporteur van de commissie begrotingscontrole voor een schone handen-beleid. Hij meent dat het uitgangspunt moet zijn dat vergoedingen alleen mogen worden uitbetaald op basis van werkelijke kosten. En dat er bewijsstukken moeten worden verstrekt. Zijn rapport is onlangs op een aantal punten door het parlement onderschreven.

Maar ook het rapport van Van Hulten toont aan dat de handen nog niet schoon zijn. Zo worden nog reiskostenvergoedingen betaald waaraan leden veel geld overhouden; worden onkostenuitgaven niet of nauwelijks gecontroleerd en hoeven leden vaak geen verantwoording af te leggen.

En er zijn meer kwesties. Benoemingen van de hoogste ambtenaren van het parlement zijn onderonsjes van de grootste fracties; uitgaven van secretariaatskosten, huishoudelijke uitgaven, voorlichtingskosten en de fractie-uitgaven worden niet gecontroleerd door het parlement en tegen de regels in worden politieke partijen gefinancierd met geld van het parlement.

En er is er nóg een kwestie onopgelost: de werkplek. De voortdurende verplaatsingen tussen Luxemburg, Straatsburg en Brussel kosten jaarlijks 185 miljoen euro, na de uitbreiding 203 miljoen euro. In deze kwestie treft het parlement overigens géén blaam. De lidstaten hebben het zo bepaald. De leden zijn de enige volksvertegenwoordigers ter wereld die niet de bevoegdheid hebben zelf te beslissen waar ze vergaderen.