De Suriname-route

Bij de onafhankelijkheid in 1975 kreeg Suriname van het toenmalige kabinet-Den Uyl per verdrag een bruidsschat mee van ruim drie miljard gulden als ontwikkelingshulp. Vele politieke troebelen, de decembermoorden van 1982, een militaire staatsgreep, veranderde inzichten over ontwikkeling, herhaaldelijke opschortingen van de hulp en uiteenlopende verstoringen van de betrekkingen later moet worden vastgesteld dat dertig jaar hulprelatie op een diepe teleurstelling is uitgelopen. Het geld is nagenoeg op zonder dat voor Suriname een duurzame economische opbouw is bereikt, terwijl de verhoudingen tussen Paramaribo en Den Haag nog altijd hoofdzakelijk in het teken staan van de verdragsmiddelen. Begin dit jaar verscheen een lang uitgesteld evaluatierapport over de wederzijdse betrekkingen: Een belaste relatie. De titel was veelzeggend en de opmerkingen over het onvermogen van Nederlandse en Surinaamse kant om tot een succesvolle gezamenlijke strategie te komen, waren vernietigend. Onderwijl leeft een deel van de Surinaamse bevolking in een drugseconomie en zijn de particuliere overboekingen van Surinamers uit Nederland naar hun land van herkomst omvangrijker dan het laatste stroompje hulpgeld.

Minister Van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking, CDA) heeft de enige verstandige conclusie uit het evaluatierapport getrokken. De betrekkingen tussen Nederland en Suriname moeten op een zakelijke en betrokken manier worden voortgezet, ontdaan van het automatisme van een onuitputtelijke hoeveelheid geld. Hoewel Nederland Suriname nooit kan beschouwen als een derdewereldland zoals ieder ander – al was het alleen maar omdat de geschiedenis niet kan worden genegeerd en een aanzienlijk deel van de Surinaamse bevolking in Nederland woont – doet Van Ardenne er goed aan de Surinaamse hulpafhankelijkheid van Nederland drastisch te verminderen. Haar argument dat Suriname niet `arm genoeg' is om aan de Nederlandse criteria voor hulp te voldoen, is nogal gezocht. Maar haar uitgangspunt deugt: Suriname dient zijn eigen mogelijkheden beter te benutten, moet nauwere aansluiting zoeken bij de economische ontwikkelingen in de Zuid-Amerikaanse regio en kan beter terecht bij internationale financiële instellingen.

Voor Nederland valt hieruit een ontnuchterende les te leren. Het nationale ontwikkelingsbeleid is niet altijd zaligmakend en soms rampzalig gebleken. Op kleinere schaal gebeuren er ook in Suriname met ontwikkelingsgeld bewonderenswaardige dingen. Maar het grootschalig infuus dat na de onafhankelijkheid werd toegezegd om het koloniale verleden af te kopen, heeft de hoogdravende Nederlandse pretenties nooit waargemaakt.