Naar het land van krijgsheren en burqa's

Over een paar maanden gaan circa honderd Nederlandse militairen naar de Afghaanse provincie Baghlan. Zij staan voor de zware opdracht de vrede te bewaren tussen rivaliserende clans, die er sinds de val van het Talibaan-regime de dienst uitmaken.

Het honderdtal Nederlandse militairen, dat naar verwachting binnen een paar maanden naar de Noord-Afghaanse provincie Baghlan vertrekt om de stabiliteit daar te bevorderen, staat voor een netelige taak. De militairen moeten proberen lokale potentaten in het gareel te brengen, die er niet voor terugdeinzen geweld te gebruiken en daartoe aanzienlijke privé-legers met enkele duizenden manschappen tot hun beschikking hebben.

Medewerkers van de Verenigde Naties hopen dat de Nederlanders zo snel mogelijk komen. ,,Hoe eerder, hoe beter'', zegt Sergiy Illarionov, hoofd van het VN-kantoor dat vanuit de noordelijker gelegen stad Kunduz de ontwikkelingen in Baghlan in de gaten houdt. De VN hopen dat de Nederlanders een begin maken met de ontwapening van de privé-legers. Ook kunnen ze helpen de voor september geplande presidents- en parlementsverkiezingen in goede banen te leiden.

Ook de lokale mensenrechtenactivist Abdul Ghaffer Bassem, in de hoofdplaats Pul-i-Khomri ziet de Nederlanders graag snel komen. ,,Ik hoop dat de Nederlanders zich zullen inspannen voor de rechten van de mens'', zegt hij. ,,Maar er moeten na jaren van oorlog en verwoesting ook snel nieuwe scholen worden gebouwd en wegen worden gerepareerd.''

Iets minder geestdriftig is de gouverneur van Baghlan, Mohammed Momozai, die op 20 mei in een brief aan de overgangsregering van president Karzai onderstreepte hoe prettig het is met de Duitsers samen te werken. Die zijn ,,beter met de cultuur en de traditie van Afghanistan vertrouwd'', zegt hij in zijn uitgelekte brief. De Duitsers leiden sinds vorige herfst in de provincie Kunduz een van de zogeheten Provinciale Reconstructieteams, die de stabiliteit in Afghanistan moeten helpen verbeteren. Van daaruit hebben ze zich ook zij het oppervlakkig beziggehouden met Baghlan. Tijdens een gesprek met deze krant in zijn kantoor in de hoofdstad Pul-i-Khomri toont de gouverneur zich echter in het geheel niet afwijzend over de komst van de Nederlanders.

Vooral de clan van de Anderabi's, afkomstig uit een naburige vallei uit het Hindu Kush-gebergte, vormt in Baghlan een grote sta-in-de-weg. Sinds de val van de Talibaan ruim twee jaar geleden maken de Anderabi krijgsheer Mustapha Khan en zijn broers in het belangrijkste deel van Baghlan de dienst uit. Onbeschroomd pikken ze land in van anderen en wenden dat aan voor de lucratieve verbouw van papaver, waaruit opium en heroïne worden gewonnen.

Ook ondermijnen de Anderabi's hoe langer hoe meer het toch al zwakke gezag van de vertegenwoordigers in de provincie van president Karzai in Kabul. ,,De laatste tijd heeft Mustapha Khan een flink aantal ambtenaren en schoolhoofden laten vervangen door mensen van zijn keuze'', zegt Illarionov van de VN. ,,Dat valt bij de bevolking bepaald niet in goede aarde.'' Het gedrag van de Anderabi's vormt een bron van frustratie voor gouverneur Momozai, die sinds een paar maanden namens de centrale regering in Pol-i-Khomri zetelt. ,,Het zijn allemaal analfabeten'', foetert de in westers pak en das gestoken gouverneur in zijn met veel kunstbloemen versierde kantoor. ,,Ze zijn niet vatbaar voor rede en proberen alle zaken met wapens en geld naar hun hand te zetten. Het is niet makkelijk voor me hier te werken.''

De burgers voelen zich eveneens geterroriseerd door de Anderabi's. ,,Aantrekkelijke jonge vrouwen die geen burqa dragen lopen het risico door de krijgsheren te worden ontvoerd'', zegt mensenrechtenactivist Abdul Ghaffer Bassem. ,,Dus dragen alle vrouwen, zelfs vrouwelijke artsen, hier een burqa.'' Ook mannen worden soms ontvoerd om een losgeld te verkrijgen.

Mustapha Khan zelf is niet bereikbaar voor commentaar op al deze beschuldigingen. Een medewerker van de krijgsheer vertelt bij diens fraaie, aan de rivier gelegen villa dat Khan zich thans in India laat behandelen aan een wond aan zijn hand.

In de uitgestrekte bazaar van Pul-i-Khomri is afgezien van de vrouwen in burqa's van spanningen overigens weinig te bespeuren. In de stoffige, grotendeels ongeplaveide straatjes heerst een levendige drukte. Er zijn enorme Oezbeekse katoenbalen te koop, grote Pakistaanse mango's en veel vlees, want met vegetarisme hebben de Afghanen nooit iets opgehad. Op tafels met rode kleedjes in de talrijke kebab-huizen zitten mannen met eerbiedwaardige baarden en tulbanden met stokjes vlees en groene thee voor zich. Ze kijken nu eens geboeid naar een video met een bevallige Indiase vrouw die ochtendgymnastiek doet en dan weer naar luidruchtige Indiase filmspektakels met veel tranen en veel bloed. Vrouwen zetten in zulke eethuizen nooit een voet.

De provincie Baghlan, die naar schatting een half miljoen inwoners telt en zo groot is als Nederland, is van groot strategisch belang. Ze ligt aan de belangrijkste route over het machtige Hindu Kush-gebergte met zijn Salang-pas vanuit de hoofdstad Kabul naar negen noordelijke provincies. Juist door zijn strategische ligging is er de afgelopen twintig jaar vaak hevig gevochten. De provincie is voor Afghaanse begrippen redelijk ontwikkeld. Er is enige industrie en de grond is tamelijk vruchtbaar. Zowel industrie als landbouw hebben echter zware klappen door de strijd opgelopen, waardoor er volgens alle betrokkenen veel behoefte is aan ontwikkelingsfondsen.

Etnisch gezien is de provincie een lappendeken. Naast Tadzjieken is er een aanzienlijke Hazara-minderheid, die voor een deel tot de islamitische stroming van de Ismaili's (aanhangers van de Aga Khan) behoren. Verder zijn er Oezbeken en Pathanen. De Pathanen, die vorige eeuw met steun van de toenmalige regering in Kabul Baghlan vanuit het zuiden en oosten van Afghanistan binnendrongen, gaven lange tijd de toon aan in de provincie. Inmiddels zijn ze geheel overvleugeld door de machtige Tadzjiekse Anderabi's.