Het onbegrepen parlement

Deze week kunnen ruim 340 miljoen Europeanen – een recordaantal – naar de stembus om een nieuw Europees Parlement te kiezen. Kúnnen, want ook nu weer lijkt de belangrijkste vraag hoeveel mensen werkelijk hun stem zullen uitbrengen. Wordt het nog dramatischer dan vijf jaar geleden, toen minder dan de helft van de kiesgerechtigden de gang naar de stembus maakte, of zullen de Europese politici volgende week maandag opgelucht vaststellen dat de negatieve trend is omgebogen?

Dat net als vijf jaar geleden de vraag over de opkomst de meest prangende is, zegt eigenlijk al genoeg: het zijn vooral verkiezingen over het Europees Parlement zelf. Is het nuttig voor een instituut als het Europees Parlement van een elementair grondrecht als het kiesrecht gebruik te maken? Politieke geschilpunten doen er veel minder toe. Europa vraagt zich niet gespannen af welke meerderheden er na aanstaande zondag in het parlement zijn te vormen en hoe `anders' de Europese Unie er dan politiek gesproken uit zal zien. Eenvoudigweg omdat de verkiezingen voor het Europees Parlement daarop maar een zeer bescheiden invloed hebben. De Europese Unie is geen politieke entiteit en het daarbij behorende parlement dus ook niet. De kiezer voelt dat haarfijn aan. Waar de macht van de kiezer beperkt is, is ook de interesse beperkt.

Ook nu weer zijn kosten noch moeite gespaard om te laten zien hoe belangrijk het Europees Parlement is. En het parlement wórdt ontegenzeggelijk belangrijker. De afgelopen vijf jaar beschikten de 626 Europese volksvertegenwoordigers over aanzienlijk meer bevoegdheden dan hun voorgangers. Voor veertig werkterreinen van de Unie, variërend van onderwijs tot gezondheidszorg, geldt dat besluiten niet tot stand kunnen komen zonder de goedkeuring van het Parlement. Tot 1999 gold dat nog maar voor vijftien terreinen. En als de veelbesproken Europese Grondwet een feit is, zal het aantal onderwerpen waarover het Parlement zeggenschap heeft zelfs verdubbelen. Dan kan over zaken als asielwetgeving, politiële samenwerking en controle van de buitengrenzen alleen besloten worden met instemming van het Parlement. Het blijven wel die terreinen waarvan de regeringen van de 25 landen van de Unie met elkaar hebben afgesproken dat deze om gemeenschappelijke wetgeving vragen. En dat zijn vaak niet de meest `hete' politieke onderwerpen. Dus kan het Parlement wel spreken over de maximale arbeidstijd, maar niet over hoogte van de uitkeringen. Dus kan het Parlement wel spreken over uitwisselingsprogramma's voor studenten, maar niet over de aanpak van het lerarentekort.

In de vele voorlichtingsbrochures worden de heldendaden van het Parlement keer op keer opgesomd: dankzij de Europese volksvertegenwoordiging zijn de zware metalen lood, kwik en cadmium in voertuigen verboden en moeten auto's op milieuvriendelijke wijze worden verschroot. Dankzij het parlement is de ongecodeerde uitzending van sportevenementen op televisie mogelijk en is de waarschuwing over de schadelijkheid van tabak op pakjes sigaretten strenger geformuleerd en beter leesbaar. Herkenbare onderwerpen weliswaar, maar ze houden de mensen niet massaal bezig.

Het gebrek aan spectaculaire thema's, onderwerpen die als het ware rechtstreeks aansluiten bij de belevingswereld van de gemiddelde kiezer, is dan ook de grootste handicap van het Europees Parlement. Tevens is het een handicap die tot een enorme vertekening van dat Parlement leidt. Want het merendeel van de wetgeving waar nationale parlementen zich mee bezighouden is evenmin `groots en meeslepend'. Ook het gemiddelde Tweede-Kamerlid in Nederland houdt zich voor het grootste deel van de tijd bezig met zaken die de krant bijna nooit halen, laat staan de zo begeerde televisie. Die is ook bezig met pure, abstracte, veelal technische wetgeving. Wetgeving die overigens wel steeds vaker door `Brussel' is geïnitieerd.

Nationale parlementen krijgen pas een gezicht als gevolg van het machtsspel met de regering: hoeveel steun ondervindt premier Blair nog bij de Labour-afgevaardigden in het Lagerhuis, blijft de coalitie die de Italiaanse premier Berlusconi zijn meerderheid bezorgt intact, overleeft de Nederlandse minister van Justitie een motie van wantrouwen? Het Europees Parlement heeft geen Europese regering tegenover zich waarmee een soortgelijk gevecht geleverd kan worden en dankt daaraan dan ook zijn tamelijk kleurloze bestaan.

Burgers beleven politiek als een machtsmachine, maar het Europees Parlement is louter een wetgevingsmachine. Kiezers gaan nu eenmaal niet naar de stembus om medewetgevers te kiezen, maar voor politieke macht.

Daarnaast moet het politieke discours het vooral hebben van het woord. Zie hier een ander probleem van het Europees Parlement dat sinds de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten per 1 mei nu niet minder dan twintig talen kent. Een rechtstreeks debat tussen parlementariërs onderling of met leden van de Europese Commissie is nu nog moeilijker geworden, omdat de vertaling niet alleen voor vertraging zorgt maar ook als gevolg van de indirectheid alle scherpte uit het debat haalt. Wat niet wegneemt dat de – zeker in de originele taal uitgesproken – woorden in de plenaire vergaderingen vaak wel degelijk politiek geladen zijn.

Uiteindelijk gaat het niet om de woorden, maar om de stemverhoudingen. Elke maand weer spreekt het parlement zich uit over tientallen zaken die na verloop van tijd ergens in nationale wetgeving zullen neerslaan. In de aanloop naar de verkiezingen proberen parlementariërs en kandidaat-parlementariërs overal in Europa tegenover vaak deprimerend lege zalen hun verhaal te vertellen. Waar ze voor staan is veel minder de vraag dan wat ze eigenlijk doen. Het is het lot van de onbegrepen Europese volksvertegenwoordiging. Tandeloos is het parlement al lang niet meer; wel gezichtsloos.