Flauwekul!

Er is nog wat blijven liggen over de invloed van de testikels van de man op de Nederlandse taal. Die testikels zitten ook in enkele woorden verstopt, zoals in koeioneren en in flauwekul. Koeioneren gaat terug op het Franse couillonner `voor gek zetten', een afleiding van couillon `kloot'. Flauwekul is ingewikkelder en interessanter.

Ik heb altijd gedacht dat kul een verkorting is van flauwekul, maar het blijkt juist andersom te zijn: flauwekul is een uitbreiding of versterking van kul. Kul is al in de dertiende eeuw in het Nederlands opgetekend. Het gaat terug op het Latijnse culleus, dat `leren zak, scrotum' betekent. De oudste betekenis is `teelbal'; vervolgens is het ook gebruikt voor `mannelijk geslachtsdeel', `knikker', `flauwe vent', `rommel' en `onzin'.

We komen kul in allerlei samenstellingen, afleidingen en uitdrukkingen tegen. De `balzak' werd vroeger ook wel kulbeurs genoemd, er is een plant met testikelachtige knollen die kullekenskruid heet, een dronkaard werd een zatte kul genoemd, een grappenmaker een kullebroer, en in de zestiende eeuw zei men, als variant op weten waar Abraham de mosterd haalt: hij weet wel ware syne kullekens hanghen.

Flauwekul is opvallend laat in het Nederlands aangetroffen. Volgens één naslagwerk pas in 1989, maar dat is kulkoek. In feite duikt het geregeld op vanaf het einde van de negentiende eeuw.

Er zijn diverse aanwijzingen dat flauwekul – al dan niet aaneengeschreven – aanvankelijk geliefd was onder soldaten. Het woord is voor het eerst gesignaleerd in de Amsterdammer van 5 december 1895, in een anonieme tekst over een fuselier die ziek in zijn hangmat ligt, in een slechtverlichte barak. Tot drie keer toe zegt de fuselier in dit stukje: flauwe kul!

In 1900 komen we het tegen in een befaamd boekje waarin het leger zwaar op de hak wordt genomen, Het dappere Hollandsche leger van L.H.A. Drabbe. Hierin staat: ,,`Zonder flauwe kul, Dijkstra', vraagt 'n ander, `maar hoe laat leve we?'/ `Half vijf', bromt Dijkstra te goeder trouw./ `Dan kan je me om vijf uur de aars likke', is 't wederantwoord.''

En dan is er nóg een plaats waar flauwekul in verband wordt gebracht met de soldatentaal, andermaal in de Amsterdammer. In 1916 schreef een oud-officier in een boze brief over een krakkemikkige inspectie: ,,De soldaat zou zeggen: `flauwe kul'.''

Dat flauwekul vaak of graag door soldaten werd gebruikt, zegt iets over de gevoelswaarde van dit woord. Soldaten staan van oudsher bekend om hun grove taalgebruik, en flauwekul werd indertijd dan ook als een onbeschaafd woord beschouwd.

Dit wordt door diverse bronnen bevestigd. Zo noemde Koenen het in 1903 een `plat' woord. Koenen nam het als eerste in een woordenboek op, bij het woord kul in de betekenis `laffe praatjes'. In de Grote Van Dale, die flauwe kul sinds 1914 vermeldt, ontbreekt deze `waarschuwing', maar toch moet het ook toen nog door velen als grof zijn ervaren. Althans, in 1938 schreef het tijdschrift Onze Taal: ,,Twintig tot vijf en twintig jaar geleden zou niemand het gewaagd hebben woorden als `lollig' en `flauwe kul' in den familiekring te plaatsen; dat bewaarden we, voor als wij onder onze kornuiten waren. En thans...''

Als samenstelling is flauwekul omstreeks 1910 voor het eerst aangetroffen, als titel van een liedje van Maurice Dumas, een cabaretier die er een handje van had modieuze uitdrukkingen in liedjes te verwerken (hij deed dit bijvoorbeeld ook met `Reken maar van ja!') Nog decennialang was het echter gebruikelijker om flauwe kul los van elkaar te schrijven, waardoor kul duidelijker als een zelfstandig woord herkenbaar was.

Kul wordt nog altijd `los' gebruikt, maar nu doorgaans als een eufemistische verkorting van flauwekul. Taalkundig gezien is dat interessant: eerst was er kul, dit werd versterkt tot flauwekul, maar mensen die dit te stellig of te grof vinden, verzachten dit weer tot kul.

Inmiddels is er natuurlijk geen hond meer die beseft dat kul ooit `kloot' betekende. Erg is dat niet, want mannen zijn toch al zo dominant aanwezig in onze taal, zelfs als je alle kloothommels, kloothannesen, klotenbibbers, klotenklappers en klootzakken buitensluit.