Angstdromen van Claude Vivier werden realiteit

Voelde de Canadese componist Claude Vivier (1948-1983) zijn vroege dood aankomen, of zette hij die zelf in scène? De voorspellende inhoud van Viviers aangrijpende zwanenzang Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele (1983) lijkt bijna te toevallig. In de zelfgeschreven tekst beschrijft de componist een ontmoeting met een jongeman van wie `een vreemde en onthutsende aantrekkingskracht' uitgaat. Hij stelt zich voor als Harry en steekt zonder pardon een dolk door Viviers hart. In werkelijkheid verloopt zijn einde weinig anders. Een van straat opgepikte minnaar steekt Vivier, dan 35, met een mes door het hart dood.

Het verlangen naar de nacht en het einde, het onvermogen lief te hebben en die ongrijpbare `andere wereld' zijn de verbindende thema's in de verder verhaallijnloze collagevoorstelling ofwel `opéra fleuve' Rêves d'un Marco Polo, die de Nederlandse Opera deze week in het Holland Festival herneemt.

De Rêves d'un Marco Polo hangen sterk samen met de dromen en nachtmerries van Vivier zelf, en die parallel gaat verder dan zijn zelfvoorspelde dood. De Babylonische talenbrij in de `opera rituel de mort' Kopernikus (1979) wint aan betekenis voor wie weet dat Vivier, een adoptiekind, zijn afkomst romantiseerde door te doen of hij allerlei talen beheerste. Ook het idiomatisch veel rijpere, zielsaangrijpende Lonely Child (1980) – een hoogtepunt door de unieke smeltkleuren van sopraanstem en instrumentale timbres – laat zich lastig ontkoppelen van Viviers eigen kindertijd. Maar dat betekent niet dat Viviers muziek aansluiting zoekt bij de alledaagse werkelijkheid - integendeel. Zijn composities ontsluiten een magisch, volkomen oorspronkelijk universum, waarin de nacht domineert over de dag en de droom de enige werkelijkheid lijkt.

Dat regisseur Pierre Audi zich in 2000 waagde aan een enscenering van zeven van Viviers werken in één voorstelling, is vanuit de muziek en Viviers idealen bezien louter logisch. Viviers muziek ís intrinsiek theatraal. Zij ademt een rituele indirectheid, waarbij de sprookjesachtige, mythisch-tijdloze beelden van Audi naadloos aansluiten. Audi houdt zich in zijn enscenering verre van visie of commentaar, en volgt de ongrijpbaarheid van de muziek – droom voor droom, compositie voor compositie.

Daarin schuilt zowel de kracht als de eigenaardigheid van de voorstelling. In Kopernikus lopen witgeschminkte musici en zangers door elkaar heen in een woestenij van zand en houten bankjes, met daarachter een grote steigerstellage. Akoestisch leidt die organische mix van stemmen en instrumenten tot kleurenmengsels die uitstekend passen bij de muziek; daarin zijn de stemmen in aandoenlijk stamelend onvermogen veelal óók instrumentaal ingezet.

Maar soms ook is de muziek zo ongrijpbaar en verinnerlijkt dat het visueel complement de onbedwingbare behoefte tot het vormen van eigen droombeelden in de weg staat. Sopraan Susan Narucki ontroert in Lonely Child door haar stem en inlevingsvermogen, maar daaraan voegt het witte kleed dat zij als een spook over haar hoofd trekt weinig toe. De koboldachtige wezens in de Prologue pour un Marco Polo (1981) doen misschien gewoon te veel denken aan de Audi/Kalman-enscenering van Wagners Der Ring des Nibelungen.

Muzikaal is Rêves d'un Marco Polo zeer indrukwekkend, en niet alleen door Viviers idioom. Reinbert de Leeuw leidt het ASKO en het Schönberg Ensemble feilloos door Viviers zeer veeleisende werken; zelfs de breekbare `kleurverkenningen' in het strijkersstuk Zipangu (1980) blijven noot voor noot boeiend.

De bijdragen van de talrijke solisten tasten vocaal en tekstueel de grenzen van het menselijk vermogen af. Met acteur Johan Leysen als extreem welluidende en vitale spreker, sopraan Claron McFadden en `baryton martin' Karl Daymond als excellente solisten in Kopernikus en mezzo Kathryn Harries als blinde vrouw in Wo bist du, Licht! (1981) zijn slechts enkele van de dertien vocale topprestaties genoemd.

Voorstelling: Rêves d'un Marco Polo van Claude Vivier door de Nederlandse Opera/ ASKO Schönberg Ensemble en solisten o.l.v. Reinbert de Leeuw. Regie: Pierre Audi. Scenografie: Jean Kalman. Gezien: 4/6 Gashouder Westergasfabriek Amsterdam. Herh.: 8, 9, 11, 12/6.