`Zakelijk en betrokken'

Suriname moet minder afhankelijk van Nederland worden, vindt het kabinet. Een relatie op basis van `wederzijds belang' is de nieuwe inzet. Automatische ontwikkelingshulp zit er niet meer in, zegt minister Van Ardenne.

Ze was er nog nooit eerder geweest. Maar ,,het klikte meteen'' toen Agnes van Ardenne, minister voor ontwikkelingssamenwerking voor het eerst in Suriname kwam: ,,Mijn hart ligt er echt, het voelt als iets dat bij ons hoort.''

Maar toch. In haar beleid moet Suriname een land als alle anderen worden. Natuurlijk, er zullen altijd speciale banden blijven bestaan, al was het vanwege het gezamenlijk verleden, de familiebanden of de taal. Maar de tijd van gesteggel over ontwikkelingsgelden, van door Paramaribo uitgebuit koloniaal Nederlands schuldbesef of van Haagse drammerigheid moet voorbij zijn. Zakelijk en betrokken. Dat zijn volgens Van Ardenne de sleutelbegrippen nu de bodem van de pot met ontwikkelingsgelden in zicht komt. Die werd bij de onafhankelijkheid in 1975 ruimhartig gevuld met meer dan anderhalf miljard euro. Nu, bijna dertig jaar verder, kan de trieste balans worden opgemaakt. Discussies over de besteding werden één groot gevecht. De onderlinge relaties stonden bijna altijd onder druk. En wat het ergste is: het resultaat van die anderhalf miljard was uiterst miniem, zoals het gezamenlijke evaluatierapport Lessons learned eerder dit jaar al aangaf.

,,Helder als glas'', noemt Van Ardenne de conclusies van dat rapport en dus moet het roer om. Dat betekent: de resterende gelden ,,doelmatig, effectief en volgens afspraak'' besteden, en daarna ,,een warme relatie met meer respect, gebaseerd op wederzijdse belangen''. Automatische verstrekking van ontwikkelingshulp zit er voor de minister niet meer in. Integendeel: Suriname moet juist minder afhankelijk van Nederland worden. ,,Het land moet het zelf oppakken'', zegt de minister, de avond nadat ze haar beleidsnotitie in het kabinet besprak. ,,De tijd is voorbij dat Nederland met heel veel geld de toekomst van ontwikkelingslanden dacht te kunnen bepalen. Over vijf tot tien jaar moet Suriname op eigen benen staan. En dat kan. Er is goud, bauxiet, olie en er zijn goede economische mogelijkheden in de regio. Daar willen we de resterende verdragsmiddelen aan besteden.''

In Suriname zal men wijzen op het daar gekoesterde artikel 15 uit het verdrag van 1975 waarin staat dat Nederland, óók als het geld op is, hulp zal blijven geven.

,,Ik ken dat artikel en ik respecteer het. Maar het laat onverlet dat we de exclusieve ontwikkelingsrelatie die we nu hebben niet voortzetten. Althans: niet op die manier, waarbij beide landen voortdurend ruziën van wie het geld eigenlijk is. Maar ik kan me goed voorstellen dat we meefinancieren aan gezamenlijke belangen: versterking van de rechtsstaat, drugsbestrijding of behoud van het tropisch regenwoud. In de toekomst willen we een andere, volwassen relatie, zoals we met al onze partnerlanden hebben.''

De prominente Surinaamse parlementariër Arnold Kruisland van het regerende Nieuw Front reageert uiterst kritisch. Hij vindt dat u zich ,,laatdunkend'' heeft uitgelaten en heeft het over ,,beledigingen die Suriname zich niet moet laten aanleunen''.

,,Dat is oude retoriek, dat heb ik vaker gehoord. Overigens heb ik helemaal niet laatdunkend willen zijn, ik wil juist respectvoller omgaan met Suriname dan we in het verleden hebben gedaan. Ik verheel niet dat de schuld voor de afgelopen jaren óók bij Nederland ligt, beide landen zijn in gebreke gebleven. Maar ik wil naar de toekomst kijken. Ik heb een uitstekende relatie met mijn collega Raghoebarsing en hij heeft mij vandaag nog telefonisch gezegd dat de regering de notitie rustig zal bestuderen.''

De huidige uitvoering van het ontwikkelingsbeleid, via de zogenoemde `sectorale benadering', verloopt helemaal niet zo soepel. Moet Nederland de uitvoering niet nu al overlaten aan internationale organisaties?

,,Dat is zeker een optie. IMF, Wereldbank of IDB kunnen participeren. Sterker: het zou juist goed zijn als we de kring breder trekken met andere spelers die ook een opvatting hebben over het ontwikkelingsbeleid. Wij staan er open voor, ik hoop Suriname ook.''

In Suriname zelf zijn er veel mensen die zeggen dat er weinig zal veranderen zolang de huidige generatie `oude politici' aan de macht is. Vindt u dat ook?

,,Ik wil niet vervallen in de oude koloniale fout door te zeggen: het is niets en het wordt niets. Ik zie wél dat er potentieel is, ook onder jongeren. En we hebben met verschillende ministers goede verhoudingen. Maar het belangrijkste is dat we ons niet alleen maar op elkaar moeten richten. Suriname moet een eigen weg kiezen. En wij willen daarbij een betrouwbare partner zijn. Maar het idee dat Nederland alleen de maakbaarheid tot stand brengt: dat werkt niet.''