Waarom moet ik hiernaar kijken?

Wie het afgelopen jaar de naam Arjan Erkel hoorde, zag meteen dat gezicht voor zich. Het wat verlegen lachende gezicht van een optimistische jongeman. Zijn portret was overal: in bushokjes, op de televisie, in krantenadvertenties. Dat hadden de mensen die voor zijn vrijlating ijverden heel goed begrepen: door hem een gezicht te geven bleef zijn zaak in de aandacht. Een beeld baant zich sneller een weg naar het bewustzijn van de mensen dan een verzameling woorden.

Dat is al menigmaal aangetoond. Door de foto van het vluchtende Vietnamese napalmmeisje uit 1972, door de gedode Amerikaanse soldaten die in 1993 door de straten van Mogadishu werden gesleept en nu door de amateurkiekjes van mishandelde Iraakse gevangenen. En wat de rapporten van het Rode Kruis niet voor elkaar kregen, lukte met die foto's wel: plotseling was iedereen geschokt en overtuigd van de wantoestanden daar. De Abu Ghraib-gevangenis zal worden gesloopt.

Maar waarom moesten we de voorbereidingen voor de onthoofding van Nick Berg in een filmstrip van drie foto's bekijken? Wat bewoog de redactie van de Telegraaf om op haar voorpagina de drie Brabantse jongetjes van 5, 7 en 8 jaar groot af te beelden – in gelukkiger dagen, voordat ze door hun moeder met messteken om het leven werden gebracht? Waarom moesten we op het NOS-Journaal zien hoe het ontvoerde Chinese meisje uit Eibergen met haar ouders werd herenigd? De dertienjarige brugklasser is seksueel misbruikt, vertelde de voice over van de nieuwslezer. Wie heeft haar aangemoedigd om woensdag in het Jeugdjournaal te verschijnen en te vertellen over het mes dat op haar hart werd gezet?

Het is niet tot ieders tevredenheid, die visuele openheid. In sommige gevallen kun je volhouden dat er een journalistieke noodzaak was: de foto's uit de Abu Ghraib-gevangenis moesten wereldwijd verspreid worden – het was de enige manier om te laten zien dat er werkelijk iets aan de hand was. Maar dat argument is bij die andere voorbeelden veel minder geldig. Het zijn beelden waarvan veel mensen verschoond willen blijven. Ze voelen zich plotseling ingedeeld bij de voyeurs, ze zijn de onvrijwillige toeschouwers van iets waar ze buiten willen blijven. Het inzicht dat je wel de foto kunt bekijken, maar er verder niets aan kunt doen, schreef Susan Sontag in haar boek Regarding the pain of others, leidt tot een frustratie die zich uiteindelijk richt op de afbeelding en op de media waarin ze te zien is.

Maar waarom worden de beelden in de media dan gruwelijker, gedetailleerder en steeds persoonlijker?

Is het omdat de wereld steeds gruwelijker wordt? Dat is niet erg waarschijnlijk. Oorlogen en rampen zijn van alle tijden en waarschijnlijk worden ze eerder minder gruwelijk dan gruwelijker. Wel wordt de drempel van de weerzin steeds lager. Bloed is niet meer taboe, ook niet in kleur. Lijken worden niet langer uit de krant en van het scherm geweerd. Verminkingen en losse lichaamsdelen liggen moeilijker, maar ook die zijn al afgebeeld.

Voor die foto's is vaak wel een journalistieke rechtvaardiging te geven, want iedere wereldburger heeft steeds meer te maken met de gruwelen die ver van huis gebeuren. De wereld is een spinnenweb geworden: als er ergens een vlieg invliegt, trilt het hele web. Wat in de straten van Jeruzalem, Madrid of Riad gebeurt, kan de wereldgeschiedenis een nieuwe wending geven en daarom zijn de camera's ook daar.

Die camera's – dat is een belangrijk punt. Ze zijn overal. Ze registreren de ontvoering van een tweejarige kleuter in een winkelcentrum bij Liverpool, ze leggen de ontploffing van de vuurwerkfabriek in Enschede vast, ze laten zien hoe een Concorde in Parijs crasht, ze waren er toen de vliegtuigen zich in de Twin Towers boorden en ze behoorden blijkbaar tot de persoonlijke standaarduitrusting van de bewakers van de Abu Ghraib-gevangenis. De beelden die met die camera's zijn gemaakt kunnen in een paar tellen naar de andere kant van de wereld of naar een website worden geseind en zo breidt het algemeen beschikbare reservoir van beelden zich steeds verder uit. Er ontstaat een nieuw publiek domein, met rafelige randen, dat niet meer door de gevestigde media wordt gecontroleerd. Zo ontstaan nieuwe nieuwsfeiten met nieuwe ethische problemen: het nieuwsfeit bijvoorbeeld dat er op internet een filmpje te zien is waarop een Amerikaans staatsburger wordt onthoofd.

Pionierswerk

Wat moet een krant of een televisiejournaal daaraan doen? Wat moeten ze aan met het gegeven dat terroristen heel goed weten dat shockeren een van hun wapens is? De klassieke opvatting is: bekijk de gruwelijkste beelden en meld het de lezers en kijkers als er iets belangrijks te zien is. Die kijkers en lezers hoeven niet alles zelf te zien, ze lezen die krant en kijken naar die zender omdat ze die journalisten vertrouwen en graag op hun gezag aannemen dat Berg inderdaad is onthoofd.

Maar behalve de gruwelijkheden die van belang zijn voor het wereldgebeuren, zijn er de huiveringwekkende gebeurtenissen op kleinere schaal: ontvoeringen, liquidaties, gezinsmoorden. Ook die worden steeds meer in beelden gevangen en aan ons opgediend.

Dat is een gevolg van een aantal verschuivingen in de journalistiek. Ten eerste is daar de toegenomen aandacht voor het eigen land, de eigen stad, de eigen omgeving. SBS6 heeft pionierswerk verzet, en de NOS heeft de fakkel overgenomen. Nu de dorpspomp niet meer bestaat, willen de Nederlanders graag op het televisiescherm zien wat er twee straten verderop gebeurt.

Ten tweede wordt met die beelden een journalistieke ontwikkeling voortgezet die ook in de geschreven en gesproken journalistiek al langer gaande is: de individualisering van het nieuws.

Dat is een trend met een dubbele uitwerking: aan de ene kant is er de wens bij redacties om algemenere problemen te illustreren aan de hand van een concreet geval. Een krantenstuk of een televisiereportage over het WAO-vraagstuk is tegenwoordig ondenkbaar zonder dat een of twee WAO-trekkers sprekend worden opgevoerd. En aan de andere kant is er de wens om een spectaculaire individuele gebeurtenis te zien als een voorbeeld van een trend of een algemeen probleem. Bij een aanslag op een bekende Nederlander, een ontvoering, een gezinsmoord is de verleiding groot om naar een verklaring of naar het achterliggende patroon te zoeken. Dat kan een goede journalistieke reflex zijn,maar waar het hier om gaat is dat de aandacht zich dan onvermijdelijk en intensief richt op individuele mensen. Op hun gewoonten, hun achtergrond, hun eigenaardigheden en hun opvattingen. Als het enigszins kan, komt hun naam erbij te staan, want journalisten werken steeds minder graag met anonieme bronnen.

En dan is de stap naar een foto, een portret niet meer zo heel groot. Temeer daar in de gewone werkelijkheid die stap ook vaak wordt gezet. De drie jongetjes in Berghem stonden niet alleen in de Telegraaf, ze waren ook te zien bij het condoleanceregister dat bij de school was ingericht – zoals in de Volkskrant op een wat meer gedistantieerde voorpaginafoto ook te zien was. Je ziet het vaker, het beeld van een slachtoffer is een krachtig middel om een menigte of een gemeenschap te bezielen. Maar wat in de intimiteit van de schoolgemeenschap een functie heeft, is nog niet per definitie geschikt voor het nationale podium.

Toch denken de landelijke politici daar vaak anders over. Als op een gebeurtenis het volle medialicht valt, kunnen sommige Kamerleden de verleiding moeilijk weerstaan snel een kloeke uitspraak te doen. De ontvoering van het Chinese meisje uit Eibergen was voor LPF, CDA en PvdA aanleiding om zich meteen maar tegen proefverlof voor zedendelinquenten te verklaren.

En dan komen we ten slotte op een verklaring die we ook onder ogen moeten zien: de competitie en de commercie. Gruwelijke beelden, onthullende beelden, ze stoten af en ze trekken aan. Veel mensen willen ze toch zien, en de schandaalpers dankt er zijn bestaan aan. In een situatie waarin de winstgevendheid van de journalistiek onder druk staat, de terughoudendheid over de gehele linie afneemt, en de belangstelling voor individueel leed, verdriet en schande toeneemt, daar wordt de verleiding groter een foto te plaatsen die je de rillingen over de rug jaagt.