Tekenen: zorg vooral dat je weet wat je móét zien (Gerectificeerd)

Op verzoek van NRC Handelsblad storten schrijvers zich op de eindexamens. Schrijfster Joke van Leeuwen maakte het examen tekenen (vwo).

Gisteren was het de dag van het vwo-eindexamen tekenen, handenarbeid en textiele werkvormen (ooit `nuttige handwerken' geheten). Ik was benieuwd. Het vak tekenen is aan modes onderhevig geweest, van het natekenen van de schaduw op een kale bol tot het ongeremd op papier smijten van innerlijke roerselen. En handenarbeid was in mijn vroege jeugd voorbehouden aan de jongens. Ik vond het als jong meisje wraakroepend dat ik een lelijk voorbeeld moest namaken in kruissteekjes, en niet fijn, net zoals ik thuis deed, scheve dingen mocht timmeren.

Ik was ook benieuwd omdat ik nooit een Nederlands eindexamen heb gedaan. Ik zat vanaf mijn dertiende in Brussel op een Vlaamse middelbare school en volgde daar de in Nederland niet bestaande richting Latijn-Wiskunde, met veel Latijn en wiskunde, maar zonder Grieks. Het vak tekenen heette `wetenschappelijk tekenen', wat inhield dat ik een pen met een dunne snavel wetenschappelijk langs een liniaal moest trekken. Meestal ging er wat mis, dan bleef de inkt niet mooi in de pen zitten en moest alles over. Intussen deed ik thuis met gouache de ontdekkingen van de kunstgeschiedenis over: perspectief, licht en donker, abstrahering, noem maar op.

Maar kijk, dit blijkt geen eindexamen tekenen, handenarbeid en textiele werkvorm en te zijn, maar een eindexamen kunstbeschouwing en -geschiedenis. Er moet van alles in woorden worden uitgelegd, verklaard en beargumenteerd, waarbij er per vraag gemiddeld iets meer dan vier minuten tijd is, het kijken naar de reproducties inbegrepen. Er moet uitgelegd worden wat de middeleeuwse opvatting over de positie van de mens binnen de schepping is. Er moet beargumenteerd worden wat de architecten Willem-Jan Neutelings en Lars Spuybroek vinden van het ontwerpen met de computer. Er moet overwogen worden waarom je de fotografie een `uitvinding' zou moeten noemen, of eerder een `technische innovatie'. Allemaal interessant, daar niet van, maar het vraagt geen tekenkunst en scheppende arbeid, wel redeneerkunst en een goed studiehoofd. Hier en daar moet ook wel oplettend gekeken worden, wat nooit helemaal goed gaat met reproducties, maar alla.

Het examen is in vier hoofdstukjes ingedeeld: Anatomie, Optica, Emotie en expressie en Architectuur. De vragen zijn gebaseerd op schilderijen, fresco's, grafiek, tekeningen, beeldhouwwerken en gebouwen. Geen textiele werkvormen, al wordt even gerefereerd aan in verf weergegeven wollen stof (in veel Nederlandse huiskamers hangen landschapjes van in wol weergegeven verf). Andere, meer toegepaste disciplines als grafische en industriële vormgeving ontbreken eveneens. Tussen de vele kunstenaars en kunstbeschouwers die worden genoemd zit één vrouw, de zieneres Hildegard von Bingen. Natuurlijk, veel vragen gaan over het verleden, en toen ervoer het vrouwvolk allerlei beknotting die nu andere culturen wordt verweten. Ik zag een paar jaar geleden een actueel leerboek Nederlandse literatuur waarin de vrouwelijke schrijvers in een apart hoofdstuk werden behandeld, met een voorkeur voor de commercieel meest succesvolle.

Tja, en dan: een examen moet meetbaar zijn. Maar kan aan het wezen van de vakken toch niet meer recht worden gedaan? Is het niet mogelijk naast kunsthistorische kennis ook zelf de taal van het beeld te gebruiken? Naast het `wat moet ik zien' meer ruimte te krijgen voor `wat zie ik'? Velen zullen daar niet op zitten te wachten, omdat het minder houvast biedt. Maar wie fantastisch kan tekenen, ongelooflijk mooie dingen in elkaar kan knutselen, virtuoos is met textiel, kan als een baksteen voor dit examen zakken. Goede moed, getalenteerden, er komen andere tijden. Dan is de hier gemeten kennis mooi meegenomen.

Rectificatie

Examen tekenen

In het artikel Tekenen: zorg vooral dat je weet wat je móét zien (5 juni, pagina 2) bespreekt Joke van Leeuwen het eindexamen tekenen, handenarbeid en textiele werkvormen voor het vwo. Zij betreurt dat het alleen kunsthistorische kennis meet, en mist `de taal van het beeld'. Het praktijkgedeelte blijkt al in januari uitgedeeld aan de scholen.