Ook de buren vonden mijn stukje beter

De afgelopen vijftien maanden ontving de redactie van de Achterpagina 6.000 inzendingen voor de rubriek ik@nrc.nl.

Tijd voor een inventarisatie, een bloemlezing en een bemoedigend woord voor de duizenden inzenders wier anekdote ongeplaatst bleef.

De geschiedenis van ik@nrc.nl begint bij Frits Abrahams. Zijn kroniek op de Achterpagina van NRC Handelsblad ging zes jaar geleden van start op één kolom. Dat kolommetje voelde als een te krappe jas, merkte Abrahams al snel. Maar het aanbod om vijf keer in de week de dubbele hoeveelheid ruimte te vullen, vond hij te genereus.

Abrahams kreeg wat hij graag wilde: een 2-kolomsbehuizing, die niet helemaal tot op de vouw van de Achterpagina doorloopt. Onder zijn rubriek ontstond zo ruimte voor een mini-stukje. Eerst kwam daar Prikbord, een verzamelplaats voor `gevonden' teksten. Toen de stroom van oneliners, tegeltjeswijsheden en wcgraffiti opdroogde, verschenen anekdotes onder de rubriek van Abrahams. Redacteuren en medewerkers beschreven in een handvol regels een opvallende gebeurtenis uit hun dagelijks leven. Al snel bleek dat ook de lezers van de krant wat meemaken. En hoe meer lezersbijdragen werden gepubliceerd, hoe meer telefoontjes en brieven de redactie over de korte stukjes ontving.

Om aan alle onduidelijkheid (en correspondentie) een eind te maken, riep de Achterpagina op 11 februari vorig jaar de rubriek ik@nrc.nl in het leven. In een oproep liet de redactie weten op zoek te zijn naar ,,waargebeurde verhalen, anekdotes uit eigen ervaring en observaties''. Via een formulier op de website van de krant (te vinden op www.nrc.nl/ik) konden lezers inzenden.

Bij dat formulier plaatste de redactie ook de spelregels van de nieuwe rubriek. De stukjes mochten niet langer zijn dan 120 woorden. De redactie behield zich het recht voor zonder overleg te redigeren. Telefoneren of corresponderen over de stukjes was verboden. En de redactie betaalde geen honorarium meer; beloning bestond uit publicatie in (of door) NRC Handelsblad.

Strenge spelregels, het moet gezegd. Maar dat weerhield lezers er niet van massaal te reageren. Ná de oproep vertienvoudigde het aantal inzendingen en kwamen meer dan zesduizend ikjes binnen.

Velen voelden zich door de oproep kennelijk uitgedaagd. De chef verslaggeverij van de Volkskrant-redactie loofde een fles wijn uit voor de eerste onder zijn collega's die de ik-rubriek zou enteren (nog niet gelukt). En op de afdeling journalistiek van de InHolland Hogeschool konden studenten zelfs een duur studiepunt verdienen met een ikje (wél gelukt).

Slechts één op de twintig inzendingen overleeft de schifting. Voor een goed beeld van de onderwerpen waarmee de ik-inzenders zich bezighouden moet daarom vooral naar de ongeplaatste stukjes worden gekeken. Die duizenden miniatuurtjes vormen met elkaar een rijk geschakeerd portret van Nederland. Welke kleine pleziertjes geven kleur aan het leven van alledag? Wat zijn de muizenissen en de voorvallen die de tijd typeren? Een uitgebreide bloemlezing uit ik@nrc.nl moet op den duur een raak beeld kunnen geven van het vroeg 21ste-eeuwse Nederland. Zij het wel een portret van een bepaald segment van de samenleving: het blanke, welvarende, goedgeschoolde, middelbareleeftijdpubliek dat deze krant leest.

Wat zijn de constanten van de ik-rubriek? In de trein maak je de raarste dingen mee, dat is zeker. Vertragingen, ongegeneerd bellende medepassagiers en lompe conducteurs zorgen voor vele, sterk op elkaar gelijkende anekdotes. Het is druk in de coupés en daar houden lang niet alle passagiers rekening mee.

Dat de samenleving verruwt blijkt ook uit de voorvallen met onbeleefd, dan wel onwetend winkelpersoneel in de hoofdrol. De telefonist van de steenlegger zegt dat de baas er wel is, ,,maar nu even zit te schijten''. Een Albert Heijn-caissière snauwt tegen een lastige klant dat ,,om de hoek een Edah is''. En dan is er nog de boekverkoopster die denkt dat Lijmen/Het been een hobbyboek is.

Talrijk zijn ook de ikjes over haperende computers, enquêteurs die rond etenstijd opbellen en junks die er met fietsen vandoor gaan. Met enige regelmaat laten vrouwen verrukt weten dat ze door wildvreemden tien jaar jonger worden geschat. Mannen-op-leeftijd komen daarentegen met prostaatpraatjes. Nee, lang niet alle ikjes hebben een grappige pointe. Vaak genoeg vallen er tranen over verloren liefdes, geamputeerde borsten of huisdieren die moeten inslapen.

Veel inzenders laten zich inspireren door een ontmoeting met een Bekende Nederlander. Prins Friso kan niet onopgemerkt met zijn Porsche door de Haagse binnenstad jakkeren en wethouder Oudkerk wordt in een bordeel gesignaleerd. Andere lezers vinden het opmerkelijk dat Youp van 't Hek, Henny Vrienten en Thom de Graaf zelf naar de supermarkt gaan. En als Wim Kok in Brussel opeens in een lift stapt, staat de wereld van R.H. Leemhuis stil: ,,In verbazing roep ik: `Ik had u hier niet verwacht.' Waarop Kok antwoordt: `Ik u ook niet.'''

Zeker één op de vijftien ikjes gaat over de omgang met allochtonen. Een mevrouw ergert zich aan het antisemitisme van een taxichauffeur, een ander stoort zich aan het patsergedrag van een jonge medelander. Daar staat tegenover de verbazing van een mevrouw die er niet over uit kan dat uitgerekend een Marokkaanse jongen in de tram haar zijn plaats aanbiedt. De strekking van de meeste allo-stukjes is dat de inzenders zich slachtoffer voelen van hun eigen vooroordelen. De Turkse groenteboer spreekt lovend over de tomaten uit `ons land' en de klant denkt niet aan het Westland maar aan Turkije. Een andere lezeres beschrijft beschroomd hoe ze 's avonds op de vlucht wil slaan voor de donkere jongen die haar de bankbiljetten wil geven die ze in de pinautomaat heeft laten zitten.

Dat de NRC-abonnee gemiddeld ruim 52 jaar is blijkt uit de twee onderwerpen die het vaakst in de ik-rubriek aan bod komen: de (klein)kinderen en het geworstel met zieke, vaak dementerende ouders.

Hoewel de redactie kinderanekdotes slechts bij uitzondering honoreert, bestaat ruw geschat een derde van alle inzendingen uit zulke stukjes. In maart, na de bomaanslagen in Madrid, kwamen zeven ikjes binnen over kinderen die bezorgd waren over het lot van Sinterklaas.

De meeste stukjes over kleuters laten zich makkelijk tot één zin terugbrengen: ,,Mamma, hou jij eigelijk wel van kinderen?'' ,,Oma Mariet heeft maar één tiet'' (Sinterklaasgedicht). ,,Mijn vader heeft nooit gewerkt, hij is gelijk directeur geworden.'' ,,Opa, ik ga later met jou trouwen en dan zijn we homo's.'' ,,Hoi, opa, ouwe rukker.''

Dementerende familieleden kunnen al net zo onverwacht uit de hoek komen als kleuters. Maar veel stukjes over ouderdom hebben een wrange ondertoon. Niet zelden gaat het over familieleden die oud en der dagen zat zijn. De geriatrische ikjes gaan ook vaak over het onhandige optreden van verplegend personeel.

En daarmee zijn we beland bij een ander opvallend aspect van de ik-rubriek: de zorgsector is oververtegenwoordigd. Veel trouwe leveranciers zijn arts of verpleegkundige. Zij schrijven over de soms moeizame omgang met buitenlandse patiënten, zoals de Marokkaanse vader die zijn pasgeboren zoon beslist Osama wil noemen. Over vrouwen die op het punt van bevallen staan, maar niet beseffen dat ze zwanger zijn. Of het echtpaar dat wilde wachten met zwanger worden tot ná de neuscorrectie van mevrouw, omdat ze niet wilden dat hun kind net zo'n grote neus zou krijgen.

Patiënten gebruiken de ik-rubriek om het gebrek aan inlevingsvermogen van medici aan de kaak te stellen. Kenmerkend zijn de woorden van een bejaarde vrouw op haar doodsbed, die genoeg heeft van het ongeduld van haar arts: ,,Dokter, u hebt gestudeerd voor arts, maar ik heb niet gestudeerd voor patiënt.''

Driehonderd ikjes haalden de Achterpagina. Met soms grote gevolgen. Naar aanleiding van een stukje van de Rotterdamse huisarts Tarcies Carlier trok de actualiteitenrubriek Nova er op uit om het `moderne creperen' in Crooswijk vast te leggen. In huiselijke kring kan een Achterpagina-publicatie ook veel losmaken. Een lezer uit Den Haag beschreef onlangs in een ikje hoe zijn vriendin reageerde toen haar stukje in de krant stond. ,,Ik zit rustig achter mijn laptop te werken, terwijl mijn vriendin de krant leest. `Hij staat er in', gilt mijn vriendin opeens. Ze springt op en stuitert letterlijk een rondje door het huis. Zo hyper heb ik haar niet eerder meegemaakt en dat terwijl ze een paar minuten later bekent zich nog te hebben ingehouden.'' Een half uur later trok de man zijn bijdrage in, omdat hij zich realiseerde dat het voor zijn vriendin ,,niet echt leuk zou zijn'' om te lezen.

Een totaal van 300 geplaatste ikjes impliceert dat liefst 5.700 mini-stukjes de selectie niet doorstonden. Sommige afgewezen inzenders gaven telefonisch of via het ik-formulier blijk van hun ongenoegen. Zo schreef J.H. Pameijer: ,,Ik ben het zat en kijk niet meer. Was mijn vorige stukje met meerdere pointes soms te moeilijk en niet leuk genoeg?'' Jan Luyt, auteur van een aantal ongeplaatste ikjes, beschreef hoe zijn dochter hem plaagde omdat zij de brievenrubriek van Donald Duck wél had gehaald. L. Reitsma beschuldigde de redactie van nepotisme: ,,De geplaatste bijdragen van uw collega's halen het niet bij de mijne, verzekerden ook mijn buren mij. Ja, je kunt natuurlijk niet om je collega's heen; hoe shit hun bijdragen ook zijn.''

Tot slot nog een paar oorkondes. De prijs voor de ongemakkelijkste zin uit zesduizend ikjes gaat naar C.J. Nonhof, die in het park een hachelijk avontuur beleefde bij het voeren van de eendjes: ,,De zwaan hapte naar de fijne vleeswaren in mijn derde oksel (ben ik zo netjes en toch duidelijk?)''

De oorkonde voor het grootste incasseringsvermogen is voor Ellen van Bruggen. Met 30 liter zuivel in haar winkelwagentje werd zij bespot door een deftige mevrouw. ,,Zo, gaat u in bad vanavond?''

Gert van Hal signaleerde de nuchterste opmerking. Een bejaarde man laat bij een tafeltje-dekjeavond in het dorpshuis weten dat zijn vaste eetpartner vanavond niet aanschuift. En volgende week? ,,Nee, dan kan meneer Hoekstra ook niet komen, want dan wordt hij gecremeerd.''