Ongrijpbare eenling in theaterwereld

Lodewijk de Boer, die gisteren op 67-jarige leeftijd is overleden, was toneelschrijver, regisseur, librettist, componist, altviolist – en nog veel meer, want hij wierp zich met groot enthousiasme op alles wat hem fascineerde en werd nooit moe zijn verhalen te vertellen op een manier die zijn toeschouwers bij hun nekvel greep. Hij heeft ontzagwekkend veel gemaakt, en schreef begin jaren zeventig zelfs toneelgeschiedenis met zijn vijfluik The Family. Maar toch bleef hij een eenling in de theaterwereld, die van project naar project ging zonder ooit ergens in een vast omschreven kader te passen.

De zware man in het zwart, onveranderlijk met hoed, zonnebril en lange jas, had een veelzijdig artistieke afkomst – als zoon van een Surinaamse moeder die een zus van de schrijver Albert Helman was, en de in het verzet gesneuvelde beeldhouwer Frits van Hall. Zelf ging De Boer naar het conservatorium om violist te worden, maar liet zich ook toen al snel door iets anders meeslepen. Niet alleen wilde hij na het lezen van Harry Mulisch' debuutroman Archibald Strohalm óók zulke verhalen schrijven, maar tegelijk raakte hij aan het theater verslingerd door de eerste toneelabsurdisten die in Nederland werden gespeeld.

Toen in 1963 zijn eerste, Ionesco-achtige eenakter De kaalkop luistert werd opgevoerd, was Lodewijk de Boer altviolist bij het Concertgebouworkest. En dat was hij nog steeds toen hij in 1966 het avontuurlijke libretto schreef voor de opera Labyrint van Peter Schat. Maar omdat hij veel te vrijgevochten was voor de hiërarchie in zo'n symfonieorkest, ging hij gretig in op een aanbod van toneelgroep Studio, waar toen al die absurdisten te zien waren.

[vervolg DE BOER: pagina 9]

DE BOER

Woest levende taal

[vervolg van pagina 1]

Een paar seizoenen werkte De Boer als regisseur bij Studio – en sindsdien was hij nergens meer vast verbonden.

The Family, in hechte samenwerking gemaakt met de acteurs Gees Linnebank en Huib Broos en door hen zelf uitgebracht, was een sensatie. In grove streken schilderde De Boer het portret van een groepje losgeslagen archetypen in een gekraakt huis. Ze waren uitvergroot, maar uiterst herkenbaar. En hun vitale, woest levende spreektaal was in Nederland nooit eerder zo grof en luidkeels op het toneel gesproken. In de verfilming uit 1973, door De Boer zelf geregisseerd, is vastgelegd hoe heftig de tijdgeest in die teksten meeklonk.

Terwijl zijn tijdgenoten allengs een gereguleerd bestaan verkozen, bleef De Boer trouw aan zijn leuze: ,,Verzet houdt de mens in beweging.' Als gast bij gesubsidieerde gezelschappen, als freelancer in de vrije sector en als kompaan van Willem Breuker - met wie hij vorig najaar nog het bijbelse Jona de Nee-zegger maakte – regisseerde hij bij voorkeur voorstellingen, die dwars door de dunne vernislaag van de beschaving staken, van A Clockwork Orange tot Wie is bang voor Virginia Woolf? Ook zijn eigen stukken gingen vaak over het onuitroeibare kwaad, zoals het recente De herinnering dat met een hardhandig soort symboliek de Zweedse neutraliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog te lijf ging. Maar een kwaaie man was hij desondanks niet; hem was niets liever dan met een clubje gelijkgestemden iets van belang te maken. En dat is hem regelmatig gelukt.