Mannen: stop met huilen als u ook kunt vechten!

De man van nu wordt verscheurd door tegenstrijdige krachten: een grote geldingsdrang, maar tegelijkertijd een fundamenteel ongeloof in zijn eigen sekse.

`Worden mannen overbodig, voor zover ze dat niet al zijn?' Met die mismoedige vraag kondigde de presentator van Netwerk een paar weken geleden het programma aan. De uitzending moest nog beginnen, maar de crisis van de man stond al vast. Mannen worden wat ze al zijn, overbodig, en om het levende bewijs er maar vast bij te geven, bliezen ze het zelf van de toren.

Het nieuws was dat in Japan voor de eerste keer in de geschiedenis een zoogdier uit een maagdelijke moeder is geboren. Geen kloon, maar een origineel individu, een muis gemaakt uit de eicellen van twee vrouwtjesmuizen zonder dat er een spermacel aan te pas was gekomen. Op de brandende vraag of dit nu ook bij mensen gaat gebeuren, antwoordde de ingeroepen deskundige ontkennend, omdat, zoals hij zei, het bij wet verboden is en op ethische bezwaren zou stuiten.

Daaruit konden we dus opmaken dat het ooit inderdaad bij mensen gaat gebeuren. Want het zou naïef zijn te denken dat de mens, nu hij Gods troon zo dicht lijkt te zijn genaderd, zich de kans zou laten ontnemen daar een keer echt op te komen zitten.

En heeft God, toen Hij tweeduizend jaar geleden Zijn eigen zoon uit een maagd geboren liet worden, Zich soms laten tegenhouden door wetten of ethische bezwaren? In ieder geval heeft professor Kono, de leider van het Japans-Koreaanse team dat de muizengeboorte bewerkstelligde, inmiddels aangekondigd dat hij het nu met een varken gaat proberen.

Hij mag alvast rekenen op de bijval van de Britse geneticus Bryan Sykes, de auteur van het vorig jaar verschenen boek Adam's curse (Adams vloek), vertaald als Een toekomst zonder mannen. In dat omstreden boek komt Kono zelf nog niet voor, maar het kweken van een embryo uit twee eicellen wordt al vol optimisme beschreven. Sykes ziet geen technische hindernissen en, anders dan bij menselijk klonen, evenmin ernstige morele bezwaren. Integendeel, zegt hij, lesbische paren zouden samen de biologische ouders kunnen worden van hun baby. Een meisje uiteraard, zoals ook Kono's muis een meisje is, net als zijn toekomstig varken dat zal zijn. Dat is nu eenmaal de consequentie van het buitensluiten van de man en zijn Y-chromosoom.

Sykes vindt het allemaal prachtig, want volgens hem is de man sowieso ten dode opgeschreven. De mannelijke vruchtbaarheid neemt met sprongen af, rekent hij voor, omdat het Y-chromosoom, meer dan andere chromosomen, wordt beschadigd door mutaties bij celdelingen en vervolgens (dat is het ergste) zijn eigen schade niet kan herstellen. De onstuitbare achteruitgang zal ertoe leiden dat de mannelijke vruchtbaarheid binnen vijfduizend generaties, zo'n 125.000 jaar, zal zijn gedaald tot 1 procent van het huidige peil, zo beweert Sykes. Hij illustreert het drama onder meer met een grafiek die aangeeft dat in 1940 nog 50 procent van de mannen 100 miljoen of meer zaadcellen per milliliter sperma had, terwijl die hoeveelheid in 1990 bij nog maar 16 procent werd vastgesteld.

Keiharde feiten, zou je zeggen. Maar al in het naschrift bij Adam's curse moet Sykes toegeven dat het Y-chromosoom wél tot zelfreparatie in staat is. Juist bij het ter perse gaan van zijn boek meldden genetici dat genen op het Y-chromosoom die al als uitgeschakeld werden beschouwd, toch nog blijken te recombineren. Maar daarmee is Adams reden om te vloeken allerminst aangetast, vindt Sykes – stel je voor, dan had hij zijn hele boek kunnen weggooien. Het commentaar van de Engelse vruchtbaarheidsdeskundige Robert Winston, die de spermagrafiek als statistisch ondeugdelijk afdeed, moest toen nog komen.

Wat Sykes, Oxford-professor en de ontdekker van DNA in archeologische botten, heeft gedreven om zo nonchalant te werk te gaan, valt moeilijk te zeggen, al wordt uit zijn boek wel duidelijk dat hij hoe dan ook een bestseller heeft willen schrijven. Bij vlagen doet hij denken aan een opgesmukte Afrikaanse wida. Hij beschrijft zelf een experiment met die vogels, waarvan de mannetjes door de onderzoekers extra veren aangeplakt krijgen, waar de vrouwtjes dan zingend intrappen. Zo steekt ook Sykes tussen de echte veren van zijn mooie wetenschap de valse, om toch vooral maar te imponeren.

Vals is bijvoorbeeld de volledige gelijkschakeling van het Y-chromosoom met de drager. In het verslag van zijn genealogische onderzoekingen is het eerst de beschreven held zelf die zich driftig voortplant, maar even later ,,zijn Y-chromosoom dat een spoor van vernieling en slachting achterlaat''.

De ware booswicht is voor Sykes niet een man met een bepaalde aard, achtergrond en geschiedenis, maar het `tirannieke' Y-chromosoom. Dat veroorzaakt `de huidige nachtmerrie': mannenoverheersing, armoede, oorlogen, milieurampen. Weg met de man in het algemeen dus, de genetisch verziekte – al wil de Y van Bryan Sykes, voordat hij definitief ten onder gaat, nog wel even wereldwijd scoren met zijn zichzelfwegcijferende profetie.

Maar net zo min als door het meisje dat ooit uit twee eicellen zal worden gemaakt, wordt de man bedreigd door de toestand van het Y-chromosoom over 125.000 jaar – even ver van ons vandaan als wij ons hebben verwijderd van de aapmens. De crisis is niet toekomstig en genetisch, maar actueel en sociologisch. Niet de wetenschapper Sykes toont het probleem, maar de man Sykes. Hij zit klem tussen een fundamenteel ongeloof in zijn eigen sekse en een grote geldingsdrang, en is daarin exemplarisch voor de man van nu.

In onze tijd is voor jongens een opvoeding gangbaar geworden die hen verscheurt tussen dezelfde tegenstrijdige krachten. De natuurlijke drang om zich op hun eigen branieachtige manier te manifesteren en uit te leven, wordt gedwarsboomd door de druk om zich in te houden, te verbijten of, zoals dat heet, zich te gedragen, dat wil zeggen als een meisje. Hun natuur spoort niet met de cultuur, waarin meisjes de norm zijn.

In het onderwijs wordt typisch jongensgedrag systematisch ontmoedigd, en veel jongens hebben daar de smoor over in. Bij sommigen leidt dat tot woede en dwarsigheid, dat zijn de `scorers', die zinnen op wraak. Bij anderen slaat het naar binnen, dat zijn de zichzelfwegcijferaars, die krijgen de stoornissen. En de meesten hebben beurtelings meer of minder last van allebei.

Het lijkt waarachtig wel of we voor de opvoeding van jongens nu pas echt het model hanteren van Jezus Christus, de onovertroffen megaster van de zichzelfwegcijfering. Maar dan vergeten we dat Christus er helemaal voor in de wieg gelegd was: hij kon `scoren', ziczlef manifesteren, omdat hij een beroemde Vader had (God), en hij kon zich wegcijferen omdat hij géén vader had (Jozef). Gewone mensenjongens hebben die voordelen niet, zij zijn goddelijk noch maagdelijk geboren en dus nooit in Christus' spoor te dwingen. Maar dat is hun probleem, daar hebben we geen boodschap aan.

Dit is een ernstige zaak en beslist geen marginaal verschijnsel, zoals blijkt uit de talrijke publicaties over de ondermijning van de mannelijkheid die de afgelopen jaren in westerse landen zijn verschenen. De Oorlog tegen Jongens (Christina Hoff Sommers); Bedrogen: het Verraad van de Amerikaanse Man (Susan Faludi); De Ontmannelijking van de Man (Martine Delfos), om enkele voor zich sprekende titels te noemen.

Over bijna alle facetten van de kwestie is geschreven. Van de internationaal sterk achterblijvende leerprestaties van jongens tot de onhoudbaarheid van het idee dat vooral meisjes de dupe zijn. Van de systematische frustratie door opvoeders van normaal, actiegericht jongensgedrag tot de rechterlijke discriminatie van mannen in voogdij- en alimentatiezaken. Van de grotere kans op ziekte, het belabberde zelfbeeld en de frequentere zelfdoding van mannen tot de verdwijning van de vaderfiguur als een van de belangrijke sleutels tot dit alles.

Wat nu naar buiten komt, kent overigens een lange aanloop. Al ruim veertig jaar geleden signaleerde de Duitse psychiater Alexander Mitscherlich in zijn boek Op weg naar een vaderloze maatschappij (1963) ,,de in het oog vallende ontoegankelijkheid van veel jongeren, hun provocerende allures, hun onverschilligheid ten opzichte van alles wat voor de ouderen waarde bezat, hun ondraaglijke eenzaamheid die zij door een hectische jacht op sensaties trachten te ontlopen''. Maar niet zij zelf zijn de schuld, voegt hij er onmiddellijk aan toe, de oorzaak ligt bij ,,het verbleken van het vaderbeeld''. Het is een maatschappelijk probleem en heeft niets met puberale ontwikkeling of genetica te maken. Alle mensen die dat zeggen ,,bagatelliseren het proces van vervreemding'', waarschuwt Mitscherlich. ,,Kom niet met erfelijkheidsmythen aandragen.'' Hij moest eens weten welke erfelijkheidsmythen er in onze dagen worden aangedragen: dat wij zijn komen te leven tussen de mythe van de tot uitsterven gedoemde man en de mythe van de gelijkheid van man en vrouw allebei even dodelijk.

Hoe kunnen wij ooit man worden in dit tijdperk? Stel die vraag in een café en het enige wat je hoort is verbazing. ,,Wat is het probleem? Mannen te over, en die hormonen doen het ook wel. Kijk maar naar al die machotypes!''

Het is waar, de macho heeft nog wel wat, en veel mannen betreuren heimelijk dat ze er niet wat meer van hebben. Maar het gaat te ver hem een man te noemen. Daarvoor is de macho te veel de uitgegroeide, nooit volwassen geworden versie van de ontoegankelijke, provocerende, onverschillige sensatiejager. In zijn eeuwige lichtgeraaktheid en sentimentele ondertoon blijft altijd het geschreeuw om de moederborst hoorbaar. Was de eerste betekenis van het woord macho ook niet `moederskind'?

De ideaaltypische man daarentegen is zijn moeder ontgroeid. Hij is zoon-af, het alsmaar in de smaak willen vallen voorbij. Lof is voor hem een bijproduct van prestaties in plaats van omgekeerd. Hij kan incasseren, doseren en vooruitzien, is moreel goed, maar wijkt daar ook van af ten bate van het mogelijk betere. Hij doet niet flink met de waarden van anderen, maar denkt zelf, heeft visie en strijdt daarvoor. Hij overlegt graag, maar niet overmatig, weet te zwijgen en kan alleen zijn. Hij is moedig maar niet roekeloos, betrokken maar niet dweperig, open maar niet doorzichtig. Aan somberen en klagen begint hij niet. Hij is beheerst en soepel, maar ook hard, vooral voor zichzelf. Hij is een gentleman en heeft stijl, wat meer is dan alleen manieren. De man, kortom, is een ideaal waar hij zelf naar wil leven.

Vergelijk dat eens met de man-van-deze-tijd. Ga eens naar de website van het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid die zo heet, www.manvandezetijd.nl. Mannen die op zoek zijn naar hun eigentijdse wezen kunnen daar een cursus volgen, getiteld Mannen in de Hoofdrol. In de eerste zinnen wordt al duidelijk wat de bedoeling is: ,,Mannen die een aantal dagen in de week voor hun kinderen zorgen, ook eens een wasje draaien en het huis schoonmaken. Is het een droom of kan het werkelijkheid worden?''

Dat is dus het ideaal dat onze overheid voor de man in petto heeft, de ministeriële visie op de viriele werkelijkheid van de 21ste eeuw: de man die ook eens een wasje draait. Om ter plekke snikkend bij uit te sterven.

Maar we snikken niet, we kijken wel uit, ook al is het tegenwoordig heus niet erg meer als een man een beetje snikt. `Eindelijk! Mannen mogen huilen', stond vorige maand nog op het omslag van HP/De Tijd. Eindelijk? Hoezo? Vijfentwintig jaar geleden stond dat ook al op de weekbladen. Toen al vulde de heiligverklaring van emoties en gevoelens het gat dat de verbleking van het vaderbeeld achterliet. Met als gevolg een therapeutisering van de samenleving die meer kwaad dan goed doet, en waarvan het eind nog niet in zicht is.

Want het ergste met dat huilen is: als het eenmaal mag, moet het ook, zoals wij ook dagelijks papieren `mogen' invullen en onze pincodes `mogen' intoetsen. Tranen zijn handel geworden. Als we al ooit authentiek en onvervalst zijn geweest wanneer we huilden, dan heeft de emotie-industrie dat vanzelfsprekende verband inmiddels grondig ondermijnd.

De tranen bijvoorbeeld die bij The Passion of the Christ tevoorschijn sprongen, waren zo vals als wat. Ze vloeiden beslist niet uit sympathie voor de hoofdpersoon, die alleen in versregels praatte en maar geen karakter kreeg. Ja, hij werd gemarteld, en hoe. Dat riep afschuw, irritatie en misselijkheid op, maar geen tranen. Die rolden louter op commando van de tranentrekkende muziek. Want een man was het niet die daar ten onder ging. Hij kon incasseren, wist te zwijgen, deed geen vlieg kwaad, allemaal waar. Maar die lijdzaamheid, niet om aan te zien. Veel dichterbij stond de medeveroordeelde moordenaar die hem toeschreeuwde: ,,Waarom omhels je je kruis, dwaas?''

Maar zulke vragen hebben geen vat op de Y-chromosoomloze mannen. The Passion of the Christ deed terugverlangen naar de passie van Tyler Durden. Durden is de hoofdpersoon van een eveneens bloederige, maar oneindig veel betere film, Fight Club van David Fincher (1999). Als Durdens alter ego, de verteller van het verhaal, vrienden met hem wil worden, stelt hij één voorwaarde: ,,Sla me zo hard als je kunt.'' Een vreemd verzoek dat de verteller zwaar valt, maar na enig oefenen lukt het hem toch flink uit te halen. Het bevalt zo goed dat de twee een vechtclub oprichten, waarvan Durden de leider is die de regels opstelt. De eerste regel luidt: ,,Je praat niet over Fight Club.'' De tweede ook.

De verteller had voorheen een andere hobby. Hij was verslingerd aan praatgroepen en vond het heerlijk bij anderen uit te huilen, het liefst tussen de vrouwenborsten van een gecastreerde dikkerd, die lijdt aan de gevolgen van teelbalkanker. Maar het gejank werkt niet meer sinds het vechten is begonnen, en ook andere praatgroepmannen switchen naar Fight Club. Ze voelen zich er beter dan ooit. Durden (Brad Pitt) leert ze te incasseren en geeft het voorbeeld door zelf de grootste klappen op te vangen. Maar het is geen incasseren om het lijden zelf, het is geen scoren met zichzelfwegcijfering. Het enige doel is hard en sterk te worden. ,,Wij leiden een middelleven'', zegt hij in een toespraak tot de club, ,,er is geen Grote Oorlog of Grote Depressie. Maar onze Grote Oorlog is een mentale oorlog en onze Grote Depressie is ons leven.'' Vechten dus.

Mannen van deze tijd! Besluit vandaag nog:

1. Nooit meer te huilen als u ook kunt vechten.

2. Nooit meer te willen scoren met uw zichzelfwegcijfering.

3. Nooit meer steun te zoeken bij het

weke manbeeld van de overheid.

4. Nooit meer van uw zoon te vragen zich als uw dochter te gedragen.

5. Nooit meer te geloven dat er ellende is, omdat er mannen zijn.

6. Nooit meer te denken dat u gaat uitsterven.

7. Nooit meer te praten over wat u vandaag hebt besloten.

Is kunstenaar en schrijver