Investeringsmaatschappijen te inhalig

De grote Amerikaanse investeringsmaatschappijen hoopten dat de beursintroducties van hun zogeheten `business development companies' als warme broodjes over de toonbank zouden vliegen. Maar dat zal niet gebeuren. De reden is simpel: de investeringsmaatschappijen zijn te inhalig.

Kijk eerst eens naar de problemen die aan de voorgestelde `development companies' kleven. Het zijn gesloten fondsen, bedoeld om te beleggen in hoogrenderende obligaties die gelieerd zijn aan met geleend geld gefinancierde bedrijfsovernames. Ze zijn wettelijk verplicht om 90 procent van hun winst aan de aandeelhouders te retourneren. In eerste instantie zijn er nu eenvoudigweg te veel van dergelijke vehikels, die ook nog eens proberen te veel geld binnen te halen. Bovendien wordt de waarde van de fondsen bovenmatig uitgehold door de kosten van provisies en aandelenuitgiftes.

Geen van deze problemen is onoverkoombaar. Dat de opbrengsten lager zullen zijn dan verwacht is het makkelijkst op te vangen, hoewel sommige firma's, gewend als ze zijn om over grote hoeveelheden kapitaal te kunnen beschikken, er misschien weinig voor voelen om in kleinere porties te beleggen. De provisiekosten vormen een lastiger probleem. De `development companies' willen een managementvergoeding van 2 procent vragen, naast een vergoeding van 20 procent van de winst opbeleggingen die een rendement van meer dan 8 procent opbrengen. Het probleem is dat het een paar jaar zal duren voor de fondsen hun geld hebben kunnen beleggen.

Dat betekent dat de nettowaarde van een fonds direct met meer dan 4 procent omlaag gaat, nog voordat het echt geld gaat verdienen. Tel daarbij de vergoeding op die begeleidende banken ontvangen – bijna 7 procent in het geval van de enige overeenkomst die Apollo Investment heeft weten te sluiten – en beleggers krijgen feitelijk vanaf de eerste dag van hun belegging te maken met een waardevermindering van zo'n 11 procent.

De oplossing is dat de fondsen bijvoorbeeld twee jaar de tijd nemen om de managementvergoeding geleidelijk in te voeren, terwijl zij de opbrengsten van hun beursintroductie beleggen. Daarnaast is het de vraag of deze fondsen werkelijk behoefte aan waarborgen hebben.

Ongetwijfeld zullen de voorstanders van deze fondsen tegenwerpen dat zij niet gedwongen moeten worden om lagere vergoedingen van `development companies' te accepteren dan van de grote conventionele beleggingsfondsen die zij met behulp van het geld van zogeheten smart-money beleggers in het leven roepen. Maar die vlieger gaat niet helemaal op, niet in de laatste plaats omdat de `development companies' permanent kapitaal binnenhalen in plaats van geld dat binnen een bepaalde periode aan de beleggers moet worden teruggegeven. Het is onzeker of de beleggingsfondsen over genoeg visie beschikken om hun eigen rendementen te kortwieken. Maar als zij dat niet doen, konden de beursintroducties wel eens floppen.