De wereld moet weer energie gaan sparen

De hoge olieprijs heeft ook een gunstig effect: energiebesparing wordt weer lonend. Bij een prijs die boven de veertig dollar per vat springt, valt een investering in isolatie, zuiniger krachtbronnen of alternatieve energie sneller terug te verdienen.

In de welvarende jaren negentig hebben rijke landen door de relatief lage olieprijzen de energiebesparing laten versloffen. En dat is jammer, want zoals afgelopen weken blijkt, is de wereldenergiehuishouding er niet zekerder op geworden. Een enkele terreuraanslag in Saoedi-Arabië kan de zenuwen van handelaars en de prijzen al wereldwijd opjagen. Er is nog geen sprake van een crisis, maar hoge prijzen bedreigen het economische herstel.

Meer dan twee derde van de bewezen oliereserves in de wereld bevindt zich in de politiek instabiele landen van het Midden-Oosten. Daar neemt het door terreur geplaagde Saoedi-Arabië een sleutelpositie in. Dat land voorziet nu in een achtste van de huidige oliebehoefte. De eenzijdige afhankelijkheid van die ene regio zal niet snel verdwijnen, maar de mogelijkheid om minder olie af te nemen geeft de kopers iets meer macht, wie in die gebieden ook de scepter zullen zwaaien. Daar komt bij dat de eindige fossiele bronnen minder snel moeten worden opgemaakt. Volgens sommige berekeningen jaagt de wereld er in één jaar 400 jaar geologische fossilisatie van brandstoffen doorheen, nog afgezien van het effect van al die verbranding op de opwarming van de aarde.

De hoge accijnzen dempen de prijsfluctuaties van brandstoffen in Europa. Deze accijnzen brengen de overheid geld op en maken de gebruikers zuiniger. Het is onbegrijpelijk dat de luchtvaart geen brandstofaccijns betaalt. Voor de zwaar belaste Europese auto's worden steeds efficiëntere dieselmotoren ontworpen met als nadeel dat ze steeds fijnere, kankerverwekkende roetdeeltjes afscheiden. Daar zijn filters tegen die snel algemeen moeten worden ingevoerd. Onderzoek naar schone alternatieven voor olie en gas is onmisbaar. Duitsland zou zijn beslissing om alle kerncentrales te sluiten moeten heroverwegen.

In Amerika liggen brandstofaccijnzen gevoeliger dan in Europa, maar tegelijkertijd kan een steil klimmende olieprijs politiek dodelijk zijn. President Carter, die voor het laatst systematisch de Amerikaanse afhankelijkheid van geïmporteerde olie wilde beperken, moest in 1980 het veld ruimen, onder andere wegens lange rijen auto's voor de benzinepomp. President Bush heeft na de terreuraanslag van 11/9 een historische kans laten passeren. De Amerikaanse burgers waren toen zeker bereid geweest om tegelijk met de riskante militaire inspanningen in het Midden-Oosten hun oliegebruik te minderen. In plaats daarvan is de consumptie jarenlang gestaag toegenomen, onder andere door het gebruik van steeds grotere luxejeeps waarmee de auto-industrie de strenge regels over het gemiddelde brandstofgebruik van personenauto's heeft weten te ontduiken. Ook de EU zou de autolobby moeten trotseren en het ontwerpen van dorstige auto's meer moeten ontmoedigen.

Amerika gebruikt nu met bijna 5 procent van de wereldbevolking een kwart van alle olie. Het gebruik van anderhalf keer zoveel EU-inwoners is 19 procent van het wereldtotaal. Dan zijn 1,2 miljard Chinezen nog bescheiden met bijna 11 procent. China is nu verantwoordelijk voor een derde van de stijging van de wereldvraag naar olie sinds 2002. Eén ding is zeker: al die Chinezen zullen nooit zo ruim in de olie kunnen zwemmen als de Amerikanen nu. Daarvoor is domweg te weinig brandstof beschikbaar op de planeet. Zij zullen hun economische groei minder afhankelijk moeten stellen van energieconsumptie. Als het de Chinezen lukt, zal de rest van de wereld daarvan kunnen leren.