Belgische lessen

Net als in Nederland ontstaan in Vlaamse steden steeds meer `zwarte scholen'. Toch hebben die scholen minder ordeproblemen dan soortgelijke scholen hier.

HET VAN CELST Instituut ligt aan de drukke ringweg rond het oude centrum van Antwerpen. Deze katholieke middelbare school, die van buiten oogt als een kantoor, biedt opleidingen als handel, toerisme en public relations op vmbo-niveau. Voorbij de streng bewaakte ingang van de school ligt een lawaaiige binnenplaats. Allochtone scholieren converseren vrijwel allemaal in vlekkeloos Vlaams; slang of gesprekken in de eigen taal hoor je bijna niet.

Op het Van Celst geldt een dresscode: alleen effen stoffen in de kleuren grijs,blauw of wit. Spijkerbroeken zijn taboe. Wie te laat komt, mag een week lang niet naar buiten tijdens de pauze. Als kinderen zich bezondigen aan diefstal of ander wangedrag wordt direct een contactagent uit de wijk erbij geroepen.

``Het onderwijs in Vlaanderen is rigide,'' stelt rector Paul Bonner. ``Om kwart over acht 's ochtends komen de kinderen hier binnen en pas na vieren gaan ze weer naar huis. We proberen onze Vlaamse basiswaarden over te dragen.''

In het centrum van Antwerpen is zestig procent van de basisschoolleerlingen allochtoon. Op het Van Celst ligt dat percentage op veertig. De school weerspiegelt de veranderende bevolkingssamenstelling in de havenstad. ``We liggen hier in de frontlinie'', stelt Bonner. ``Op deze school komen kinderen uit de hele wereld: Afghanistan, Congo, de Maghreb, Turkije, Oost-Europa, noem maar op. Aan de overkant van de straat begint de Seefhoek. Sommigen vinden dat een gevaarlijke buurt. Ik niet. Er is wel armoede. Ik noem het de Vierde Wereld. Die kinderen zitten hier ook op school.''

Sinds het begin van de jaren '90 trekken blanke Vlamingen massaal naar de Antwerpse randgemeentes. Inmiddels puilen daar de scholen uit, terwijl in de binnenstad de laatste jaren zeker tien scholen hun deuren hebben gesloten. Na de witte kwam nog de `grijze vlucht': ook de allochtonen bleven weg van de scholen met een hoog percentage allochtone leerlingen. Het Van Celst had tien jaar terug nog 600 leerlingen: anderhalf keer meer dan nu.

In de refter van het Van Celst is het een komen en gaan van pratende en etende kinderen. De naam voor de kantine is typerend voor het Vlaamse middelbare onderwijs, waar zo'n driekwart van de scholen katholiek is. Ook het Van Celst werd in de negentiende eeuw door nonnen gesticht. Waar vroeger de clerus de baas was, wordt nu geluisterd naar Najwa, een rustige Marokkaanse van 21 jaar. Najwa is een jojo: ze roept spijbelende of lastige kinderen tot de orde en is ook een vertrouwenspersoon voor leerlingen.

jo-jo

Het Vlaamse ministerie van onderwijs begon het jojo-project enkele jaren terug. De term jojo (`school voor jongeren-jongeren voor school') verwijst naar het tweeledige doel van het project. Aan de ene kant worden jongeren die zich misdragen aangesproken op een andere, meer gelijkwaardige manier dan een docent dat doet. Ten tweede krijgen jongeren die hun studie hebben afgebroken als jojo de kans werkervaring op te doen.

In de praktijk blijken met name allochtone kinderen goed te reageren op jojo's met dezelfde achtergrond. Tot haar verbazing krijgt Najwa ook van Marokkaanse jongens veel respons. ``Ze komen zelf naar me toe om te praten over docenten die streng zijn of over dingen die op straat gebeuren.''

Volgens Najwa komt binnen de school nauwelijks geweld voor. ``Het gaat meer om spijbelaars of scheldpartijen tussen kinderen.'' Volgens Bonner heeft Najwa vooral goede contacten gelegd met de allochtone ouders, een groep die voor de school gewoonlijk moeilijk te bereiken is. ``In korte tijd is ze erin geslaagd een vertrouwensband met de ouders op te bouwen. Omdat zij de cultuur beter kent, vertellen die haar openlijk over de problemen die ze hebben met de opvoeding van hun kinderen.''

Najwa, zelf een gelovig moslima, denkt er over de hoofddoek te gaan dragen. Dat dit op het Van Celst niet zal kunnen vindt ze geen probleem. ``Op katholieke scholen weet je van te voren dat hoofddoekjes niet zijn toegestaan. Dat is al jaren zo.''

Volgens Paul Mahieu, hoogleraar onderwijsmanagement aan de universiteit van Antwerpen, benaderen de meeste Vlaamse scholen de problematiek rond allochtone leerlingen pragmatisch. ``Het hoofddoekjesverbod op katholieke scholen wordt geaccepteerd. Dat ligt voor een deel aan wat ik noem `overstijgend denken'. Men is zich in Vlaanderen meer bewust van de eigen normen en waarden, van de eigen cultuur. Het onderwijs is traditioneel, de scholen zijn nog kleinschalig. Nederland is meer een individualistische en diffuse samenleving, Vlaanderen is eenduidiger, ook in het onderwijs. Colleges die in het Engels worden gegeven, zoals op de universiteit in Maastricht, dat is ondenkbaar in Vlaanderen. Wij vinden dat integratie de beste kans heeft vanuit een zelfbewuste houding.''

Mahieu denkt dat men in Nederland te veel geneigd is om onderwijsidealen te abstraheren. ``Als er ergens een probleem ontstaat, wordt er eerst een toolkit gemaakt. Het is te planmatig, te overdacht. Hier in Vlaanderen lopen we onszelf niet te snel voorbij. De scholen zijn creatief en krijgen de vrijheid om zaken zelf aan te pakken. Wij proberen eerst de maatschappij te veranderen, daarna pas de wet. In Nederland is dat andersom.''

Mahieu verwacht niet dat de segregatie in de Antwerpse wijken en scholen direct een halt wordt toegeroepen, maar hij is wel optimistisch. ``We moeten nog een generatie wachten. Dan is de taalbarrière verlaagd en gaat alles gemakkelijker.''

in het gelid

In de gewelfde lokalen van het Sint-Jan Berchmanscollege staan kinderen van een jaar of elf strak in het gelid naast hun tafel. Net als in de klassen van het secundair onderwijs dragen de leerlingen van deze basisschoolgroep allemaal een blauw uniform. Het katholieke college in de Jodenstraat is een van de laatste scholen in het centrum van Antwerpen waar minderheden nog in de minderheid zijn. Er lopen hier zo'n 22 nationaliteiten rond, maar samen vormen ze maar 12 procent van het totale leerlingenbestand.

De witte vlucht heeft ook hier toegeslagen. ``Tien jaar terug had het college nog 1.400 leerlingen, nu nog maar 600'', vertelt rector Jacques van Loon. In het schoolgebouw heerst een bijna vrome stilte. Binnen en buiten de klas. ``De schoolcultuur is hier anders, veel meer controlerend. Ik heb een Nederlandse zwager die werkt op een school in Zutphen. Toen hij een keer op bezoek kwam was hij stomverbaasd over de discipline die hier heerste.''

Van Loon, zelf afkomstig uit Breda maar al dertig jaar woonachtig in Antwerpen,is ervan overtuigd dat het Vlaamse onderwijssysteem kinderen beter in de hand houdt dan het Nederlandse. ``Hier komt de sturing niet van de staat, maar uit de school zelf. Vergeleken met Nederland is die veel sterker ontwikkeld. Het systeem is ook liberaler. We hoeven ons bijvoorbeeld niet te houden aan een centraal schriftelijk eindexamen. Die maken we zelf en dat wordt gecontroleerd door de onderwijsinspectie.''

Het Sint-Jan Berchmanscollege wordt gerekend tot de elite van het katholieke onderwijs. Ondanks dat heeft Van Loon velen zien vertrekken naar de buitenwijken. Het imago van de Antwerpse binnenstad is `slecht', erkent hij. Desondanks is hij hoopvol dat de uittocht tot staan zal komen. Dit jaar is het aantal aanmeldingen voor de brugklas weer iets gestegen. Maar actief werven onder de allochtonen in het centrum lijkt aan Van Loon niet besteed: ``Iedereen is hier welkom, maar dit is een serieuze school waar hard wordt gestudeerd. Dat spreekt sommige mensen juist aan. Wij zijn van huis uit katholiek, maar er volgen hier ook drie kinderen van een imam onderwijs. Voorbeeldige leerlingen zijn dat. De enige grote minderheid die we hier hebben zijn de Polen. Dat komt vooral omdat dit gebouw twee keer per week voor Poolse les wordt gebruikt. Deze leerlingen zijn zeer gemotiveerd.''

Een paar straten verderop, aan de rand van Antwerpen-Noord, worden kinderen uit Oost-Europa met heel andere ogen bekeken. Rector Paul Bonner van het Van Celst Instituut vreest de komst van grote groepen immigranten vanuit Polen en Tsjechië nu deze landen tot de Europese Unie zijn toetreden. ``Onze ervaring is dat juist onder deze groepen veel bendevorming voorkomt. In de dossiers bij justitie komen veel Oost-Europeanen voor. Wat de Marokkanen en Turken betreft ben ik hoopvoller. We zitten in een transitieperiode. Als de kinderen van deze kinderen straks naar school gaan zijn de integratieproblemen grotendeels opgelost. Je kan nu al zien dat allochtone meisjes het goed doen in de les en geïnteresseerd zijn in de Europese cultuur. Op Valentijnsdag gingen ze allemaal rozen kopen. Dat vinden ze fantastisch.''