ANNE EN HAAR ZUSJE

Vierhonderd foto's maakte Otto Frank van zijn kinderen Margot en Anne. Zijn vrouw Edith Frank-Holländer vulde er vier fotoalbums mee. Een selectie van deze familiefoto's, die in het bezit zijn van de Anne Frank Stichting, is vanaf 12 juni te zien in het Fotografiemuseum in Amsterdam.

De meeste zijn nooit eerder gepubliceerd.

Wat doet een blije vader nadat zijn vrouw bevallen is van haar eerste kind? Foto's maken. Dat deed ook Otto Frank, die met zijn Leica zijn oudste dochter Margot vastlegde, alleen of met haar moeder Edith en later met Anne. Het zijn foto's van een getalenteerde amateurfotograaf die duidelijk speelde met perspectief en compositie. Op de laatste foto's zijn Anne en Margot 13 en 16 jaar oud. In juli 1942 dook de familie onder.

Otto Heinrich Frank werd op 12 mei 1889 in Frankfurt am Main geboren als tweede van vier kinderen van geassimileerde liberaal joodse ouders. Zijn vader was bankier. Na de lagere school doorliep hij het gymnasium waar hij zijn liefde voor de Oudheid en de Duitse literatuur ten volle kwijt kon. Na zijn eindexamen in 1908 schreef hij zich in aan de Universiteit van Heidelberg om economie te gaan studeren. Het theoretische karakter van de studie beviel hem steeds minder en hij brak die een jaar later af om in Frankfurt en later in New York in het bankwezen praktijkervaring op te doen. Hij keerde naar huis terug toen zijn vader in september 1909 overleed. Bij thuiskomst bleek dat zijn jeugdliefde met een ander was getrouwd. 'Otto keerde snel terug naar Amerika in een poging de emotionele ontreddering van de herfst van 1909 achter zich te laten', schrijft zijn biografe Carol Ann Lee.

Met het zionisme van Theodor Herzl (Der Judenstaat, 1896) had Frank niets. Hij voelde zich in de eerste plaats Duitser, Duitsland was zijn vaderland, en zoals veel geassimileerde Duitse joden vocht hij tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front voor 'zijn' keizer en tegen de geallieerden. Hij zwaaide in juni 1918 af als luitenant en kreeg een jaar later de leiding over de Michael Frank Bank, die door zijn vader was opgericht. In 1923 opent de Nederlandse vestiging 'Michael Frank & Zonen bankzaken en handel in vreemde valuta' aan de Amsterdamse Keizersgracht zijn deuren.

Zijn huwelijk, twee jaar later, met de 25-jarige Edith Holländer (volgens Frank 'een zakelijke overeenkomst'), de geboorte van hun twee kinderen, Margot Betti (1926) en Annelies (Anne) Marie (1929): het leven leek niet slecht. Maar 1929 was ook het jaar van de Grote Depressie, waar Duitsland onevenredig zwaar door werd getroffen. En één partij, de nsdap, deed steeds vaker en luider van zich spreken. Het Frankfurt van zijn jeugd, het land van zijn jeugd, onderging een metamorfose. In januari 1933 kwam Adolf Hitler aan de macht.

Vluchtelingen

Nog datzelfde jaar verruilden de Franks Duitsland voor Amsterdam. In hun woning aan het Merwedeplein 37 werd het een komen en gaan van vluchtelingen, onder wie Hermann en Gusti van Pels en hun zoon Peter en de Berlijnse tandarts Fritz Pfeffer. Frank had inmiddels de n.v. Ned. Opekta Mij. opgericht waar bestellingen voor pectine werden verwerkt. Pectine is een natuurlijk geleermiddel dat wordt gebruikt voor de bereiding van jam. Een van zijn werkkrachten was Hermine (Miep) Santrouschitz. Geboren in 1909 in Wenen kwam zij na de Eerste Wereldoorlog bij een gastgezin in Nederland om aan te sterken en zij besloot hier te blijven. Samen met haar latere echtgenoot Jan Gies was ook zij regelmatig te gast aan het Merwedeplein.

In de loop van 1940 verhuisde Opekta van het Singel naar Prinsengracht 263. Tot 12 maart 1941 zwaaide Frank er de scepter over zijn medewerkers, onder wie ook Van Pels. Maar toen op die 12de maart de Verordening ter verdrijving van joden uit het bedrijfsleven van kracht werd, trok Frank zich terug uit zijn functie en werd hij opgevolgd door Johannes Kleiman, een jarenlange vriend en collega bij Opekta.

Het was ook Kleiman die door Frank als eerste in vertrouwen werd genomen over zijn voornemen om onder te duiken. Voor dat doel werd het achterhuis van Prinsengracht 263 door een kleine kring van vertrouwelingen, onder wie Miep en Jan en Victor Kugler, Franks rechterhand bij Opekta, in gereedheid gebracht.

Toen Margot op 5 juli 1942 een oproep kreeg zich te melden bij de ss voor deportatie naar een Duits werkkamp, was het besluit te gaan onderduiken snel genomen. Een dag later vertrokken de Franks naar hun onderduikadres aan de Prinsengracht waar zij tot 4 augustus 1944 verbleven, samen met Hermann en Gusti van Pels en hun zoon Peter en later gevolgd door Fritz Pfeffer.

Op 16 januari 1943 schreef Frank ter gelegenheid van de verjaardag van zijn vrouw een gedicht waarvan de slotregels luidden:

We hopen dat het spoedig vrede wordt,

En dat we vrij en zonder zorgen

Jouw volgende verjaardag beleven.

Dat hopen we - en het zal ons lukken.

Maar het lukte niet. Eerst was er het verraad als gevolg waarvan op 4 augustus 1944 de Grüne Polizei op het onderduikadres binnenviel. Wie de bewoners van Het Achterhuis verraden heeft, is tot op de dag van vandaag onderwerp van speculatie. Zelfs de, op onderdelen doorwrochte, biografie van Carol Ann Lee Het verborgen leven van Otto Frank is er niet duidelijk over. De bewoners werden opgesloten in het hoofdkwartier van de sd in de Amsterdamse Euterpestraat en vervolgens via een tussenstop in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans overgebracht naar Westerbork, vanwaar zij begin september op transport werden gesteld naar Auschwitz.

Aan het einde van de middag op die 4de augustus gingen Miep, Jan en medehelpster Elli naar de onderduikplaats. Miep en Elli vonden het dagboek van Anne alsmede kasboeken en losse, volgeschreven vellen papier. 'Ik bewaar alles voor Anne totdat ze terugkomt', zei Miep en stopte de bladen in een bureaula.

Het achterhuis

Van de bewoners van Het Achterhuis overleefde alleen Otto Frank de oorlog. Begin maart 1945 reisde hij via Katowice, Odessa, Marseille, Parijs en Roermond naar Amsterdam, waar hij in juni arriveerde. Hij trok in bij Miep en Jan Gies en hervatte zijn werkzaamheden aan de Prinsengracht. Na weken van onzekerheid over het lot van Anne en Margot (Frank had tijdens zijn gevangenschap in Auschwitz al vernomen dat zijn vrouw aan uitputting was gestorven), hoorde hij in juli dat ook zijn dochters het niet hadden overleefd. Ze stierven in Bergen-Belsen.

Toen dat vaststond, gaf Miep aan Otto Frank de dagboekaantekeningen van zijn dochter. Op 25 juni 1947 verscheen bij uitgeverij Contact Het achterhuis, Dagboekbrieven van 14 juni 1942 - 1 augustus 1944. Vanaf dat moment begon de 'heiligverklaring' van Anne Frank die, aldus de historicus Ido de Haan, 'vaak op het conto van haar vader is geschreven. Hij maakte zich sterk voor de uitgave van het dagboek en beijverde zich voor de oprichting van de stichting aan de Prinsengracht, die sinds de oprichting in 1960 in Annes naam aan verbroedering tussen de volkeren en vorming van de jeugd moest bijdragen. Daarbij legde hij de nadruk op de universele betekenis van het lijden van zijn dochter en betoonde hij zich vergevingsgezinder tegenover de Duitsers dan menselijkerwijs mogelijk leek', aldus De Haan in deze krant van 23 maart 2002.

Fritzi

Begin jaren '50 trad Frank in het huwelijk met Fritzi Markovitz, overlevende van Auschwitz, en net als de Franks voor de oorlog woonachtig aan het Merwedeplein. Zij vestigden zich permanent in Basel. Op 3 mei 1960 vond de officiële opening plaats van het Anne Frank Museum aan de Prinsengracht 263. De openingsceremonie greep Frank erg aan. Volgens zijn biografe bekortte hij om die reden zijn toespraak: 'Neem me niet kwalijk dat ik niet langer spreek maar de gedachte aan wat hier gebeurd is, is te veel voor me.' Drie jaar later richtten Frank en Fritzi in Basel het Anne Frank Fonds op, uit onvrede over het functioneren van het bestuur van de Anne Frank Stichting.

Het links politieke activisme waarvan de Anne Frank Stichting doortrokken raakte, begon Otto steeds meer tegen de borst te stuiten, maar tot een breuk is het nooit gekomen.

Tot aan zijn dood op 22 augustus 1980 was Frank er getuige van hoe het dagboek van zijn dochter de wereld veroverde. Er volgden toneelstukken en films, die soms leidden tot demonstraties van neonazi's en aanvallen op de echtheid van het boek. Daarom verscheen in 1986 onder auspiciën van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een wetenschappelijke editie, compleet met een samenvatting van een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium over handschriftvergelijking. Het was de riod-onderzoekers bekend dat niet alles wat Anne Frank tijdens de onderduikperiode had opgeschreven, ook gepubliceerd was. Op instigatie van Otto Frank was bijvoorbeeld een passage waarin Anne zich kritisch uitliet over het huwelijk van haar ouders, niet in de gepubliceerde versie opgenomen. Eind jaren '90 bleek dat een oud-medewerker van de Anne Frank Stichting, C. Suijk, vijf pagina's van het dagboek in zijn bezit had. Otto Frank zou ze hem hebben gegeven in 1980, kort voor zijn dood. De Nederlandse staat kocht ze in 2001 voor 300.000 dollar en ze zijn nu in het bezit van het niod.

De tentoonstelling Anne Frank en familie. Foto's van Otto Frank is van 12 juni tot 12 september te zien in FOAM (Fotografiemuseum Amsterdam), Keizersgracht 609 in Amsterdam.

Bronnen: Carol Ann Lee. 'Het verborgen leven van Otto Frank' (Uitgeverij Balans, 2002); 'Een land om bij te huilen'. 'Buitenlandse schrijvers over Nederland'. Samengesteld door René van Stipriaan (Uitgeverij Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2001); 'Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in Woord en Beeld' (1938); Miep Gies met Alison Leslie Gold: Herinneringen aan Anne Frank (Uitgeverij Bert Bakker, 1991).

Anna Visser is redacteur van NRC Handelsblad.

Otto Frank leefde van 1889 tot 1980. De auteursrechten van zijn foto's berusten bij het Anne Frank Fonds, Basel en de Anne Frank Stichting, Amsterdam.