Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Geen van mijn columns heeft zoveel reacties opgeroepen als de laatste, waarin ik zeg dat het vies tegenvalt met de veelgeroemde schoonheid van de Hongaarse vrouw. Met te zeggen dat die me tegenvalt, zeg ik niet dat hun neuzen niet in het midden van hun gezicht zitten, maar dat hun stijl de mijne niet is. En dat is al bijna te veel gezegd. Het probleem is namelijk het totaal ontbreken van stijl.

De Hongaarse vrouw zoals ik haar in Boedapest gadesla loopt met de neus in de wind; straalt ongenaakbaarheid en grote trots uit. Maar er is iets niet in de haak met die trots. Het is geen Siciliaanse, op rotsen gebouwde trots. Het is flinterdunne, wankele, op naaldhakken zwikkende trots. Het is alsof de vrouwen zich als individuen proberen te gedragen maar niet weten hoe dat moet.

Dát is het verschil met de door mij bewonderde Amsterdamse vrouwen. Die zijn open maar stralen uit: niemand maakt mij wat. En bij hen lijkt het te kloppen. Nu besef ik dat die sexy Amsterdamse vrijgevochtenheid helemaal niet bevochten is. Het verschil tussen Hongarije en Nederland is dat wij de laatste vijfhonderd jaar gelukkiger zijn geweest in onze allianties. Het vertrouwen van de solide basis – aan niets anders te danken dan de steun van de Verenigde Staten, het ingebed zijn in de Europese Unie en de NAVO – en de instroom en invloed uit andere landen heeft onze vrouwen, van nature toch te veel boter, kaas en eieren, mooi gemaakt.

De Hongaren hebben de afgelopen eeuwen werkelijk moeten vechten. Bij herhaling hebben ze de moed gehad de wapens op te nemen tegen supermachten (het Habsburgse Rijk in 1848, de Sovjet-Unie in 1956). Het zou gefundeerder zijn als de Boedapester meisjes erbij zouden lopen zoals de Amsterdamse, als halve partizanes of bohémiennes, maar niks; ze dossen zich uit ofwel als snollen ofwel als trutten, de gelukkige uitzondering daargelaten. In zijn algemeenheid komt de Hongaarse vrouw mij onwaarachtig over.

In de hoogtijdagen van de dubbelmonarchie (1867-1913) was Boedapest een extreem multiculturele stad, zoals dat tegenwoordig heet. Joden, Duitsers, Grieken, Serven, Roemenen, Turken, Russen, Bulgaren, Oostenrijkers, alles woonde er. De Hongaarse gouden eeuw. Boedapest was een van de snelst groeiende steden ter wereld, met de eerste metro van Europa, het grootste parlement, de prachtigste gebouwen schoten uit de grond (laat ik niet over de hedendaagse Hongaarse woningbouw beginnen: dat andere gebied waar dronken dadendrang, barokke nostalgie en gebrek aan subtiliteit en gevoel voor verhoudingen desastreuze gevolgen heeft).

In de gezichten van vrouwen op straat kun je nog wel een beetje het rijke verleden van het Karpatenbekken, waar alle rassen samenkwamen, terugvinden: prachtige Bulgaarse koppen (alleen op hun veertigste hebben ze een snor waar je u tegen zegt), mysterieuze Mongoolse ogen, brede Oekraïense monden, de rustige Aziatische oogopslag, de Slavische jukbeenderen, de ovale hoofden die als je langer kijkt in een volle maan veranderen.

Alleen van het moois dat er in potentie is hebben ze iets lelijks weten te maken. Dikke lagen make-up waarmee de huid verknald wordt en dan die kleren die horen bij een provinciestadje met veel vrachtverkeer. De sporen van twee overheersers zijn te zien in het Boedapester straatbeeld; de inburgerlijke smakeloosheid van de Oostenrijkers en de eenheidsconfectie van de sovjets.

De Hongaarse mannen zijn waarschijnlijk nog stijllozer dan de vrouwen. Daarbij komt dat hoe de vrouwen zich uitdossen in hoge mate wordt bepaald door de man; er zit een hoog Darwinistisch gehalte in; wat werkt wordt herhaald. Grofweg lijken de Hongaarse mannen te verlangen dat hun vrouwen zich ofwel modelleren naar het beeld van de maagd dan wel naar dat van de hoer. Het laatste voor het huwelijk, dat eerste gek genoeg ná het huwelijk.

Je kunt zeggen; het is een kwestie van geld en jij als rijke westerling moet je rot schamen dat je hier over doordramt. Maar dat is niet zo. Het ontbreken van een persoonlijke stijl is geen kwestie van geld. Het is onzekerheid en een gebrek aan voorbeelden. Een uitwisseling op grote schaal zou georganiseerd moeten worden tussen de jonge vrouwen van Boedapest en Amsterdam (deze zomer bijvoorbeeld, onder auspiciën van de ambassadeur in Boedapest, om het Nederlandse presidentschap van de EU te vieren.) De twee steden hebben met elkaar gemeen dat ze het sympathieke en relaxte van een dorp combineren met de schoonheid van een wereldstad. De Hongaren kijken graag en veel naar het verleden en hier hebben ze iets waar ze op terug kunnen grijpen: het vriendelijk kosmopolitische karakter van weleer. Voor Boedapest en haar vrouwen.

Opvallend is dat op het Hongaarse platteland mensen veel meer hun eigen stijl hebben bewaard. De meeste schoonheid is dan ook daar waar te nemen. Oude boerenvrouwtjes in het zwart, zigeunerinnen in kleurige vodden. Zondag reed ik door Igal in het zuiden. Bij het zebrapad bij de kerk stond een man (geen militair) van een jaar of veertig achter een kinderwagen, van top tot teen in camouflagepak. Dat noem ik stijl.

scholten@nrc.nl

    • Scholten Jaap