Was de echte politie maar zo

Het zit er bijna op, de Wallander-reeks van Henning Mankell. De Nederlandse vertaling van deel 8, De blinde muur, verscheen vorige week in een sensationele oplage van 60.000 exemplaren. En dat voor een gebonden boek van zeshonderd pagina's! Mankell is de centrale auteur in de Maand van het Spannende Boek, auteur van het bijbehorende geschenkboekje – ook een Wallander-avontuur –, waarvan ruim 400.000 exemplaren worden weggegeven. Dat is mooi meeliften voor de uitgever.

Waarop het succes van deze politieromans berust valt niet zo gemakkelijk te zeggen. Spectaculair zijn ze niet, ze blinken niet uit door humor en stilistisch hebben ze ook weinig bijzonders. Natuurlijk, het zijn levensechte thrillers met veel aandacht voor de menselijke kant, maatschappelijk gerichte politieboeken waarin geen superhelden figureren, maar wezens van vlees en bloed met een navoelbaar privé-leven. Het zijn in die zin typische Scandinavische, zo niet typisch Zweedse boeken, geschreven volgens de beste principes van Sjöwall en Wahlöö. Maar dat is niet alles.

Mankells molens malen traag. Kurt Wallander kan bladzijdenlang nadenken over problemen, eindeloos hypothesen uiteenzetten en, zodra er iets in de omstandigheden verandert, de hernieuwde situatie in al haar details vergelijken met de vorige om daar zijn conclusies uit te trekken. Of door te blijven piekeren. Je zou je een politiemacht wensen die die zorgvuldigheid en dat engagement kan opbrengen. Tegelijkertijd geeft dat wandeltempo je het gevoel dat je naar een soapserie kijkt.

Mankell lezen is verslavend. Ook als hij zich in De Blinde Muur waagt in de hem niet vertrouwde wereld van de computercriminaliteit – de `blinde muur' is een `firewall' – vergaloppeert hij zich niet in futuristische hoogstandjes, maar blijft hij de betrouwbare verteller die hij al acht delen lang is. Ongetwijfeld verklaart ook dat ten dele zijn populariteit. Je hebt als lezer het idee dat de zich bijna in real time afspelende onderzoeken zo compleet worden beschreven dat je niets ontgaat, hoe gelaagd het ook allemaal is. Wallander zal heus niets laten liggen, en nooit zal Mankell de misselijke truc uithalen om je op de laatste bladzijde een stukje achtergehouden bewijslast te tonen. Je weet voortdurend evenveel als Wallander, zo niet meer. En dus kun je mee puzzelen, de frustrerende stroperigheid van het recherchewerk meevoelen – in het veilige besef dat Mankell de touwtjes in handen houdt.

In De Blinde Muur komt Wallander weer eens voor een complexe en onbegrijpelijke toestand te staan. Twee tienermeisjes plegen een zinloze brute moord op een taxichauffeur, er wordt een ongeschonden lijk gevonden nabij een giromaat en een van de beide tienermeisjes wordt, nadat ze aan de politie is ontsnapt, geëlektrocuteerd teruggevonden in een transformatorhuisje. Haar dood heeft de hele provincie in het donker gezet. De zaken blijken verwant, maar het verband blijft lang onduidelijk, terwijl de complicaties toenemen.

Wallander is van mening dat er geen mensen `met het kwaad in zich worden geboren', maar deze zaak doet hem twijfelen aan zijn eigen functioneren en zelfs aan de leefbaarheid van Zweden. Een diep wantrouwen tegen, zo niet een groeiende afkeer van eigenlijk de gehele wereldorde speelt door heel de roman heen. Wallander voelt het aan, spitst zijn oren, spert zijn ogen open en bijt zich in de zaak vast. De creativiteit in het bedenken van zoekstrategieën van deze opperteckel van de politieroman wordt vervolgens slechts overtroffen door zijn gebetenheid.

Henning Mankell: De blinde muur. Uit het Zweeds vertaald door Janny Middelbeek-Oortgiesen. De Geus, 603 blz. €24,50

    • Gert Jan de Vries