Schat brei mij een bivakmuts

In zijn overvolle tekeningen maakt Peter Pontiac zich kwaad over hoe de wereld is ingericht. ,,Ik word soms gek van mijn eigen hersengeknetter.''

Bijna dertig zelfportretjes staan er op de eerste twee bladzijdes van Peter Pontiacs nieuwe album Dossier X-11, ieder koppie uitgevoerd in een andere stijl. Sinds 1990 rangschikt Pontiac (geboren in Beverwijk in 1951 als Peter Pollmann) zijn tekeningen thematisch in delen van The Pontiac Review. In dit laatste deel, `autobioscope', keert het hoofd met de knaagtandjes terug in dikke en in dunne lijnen, als Hein de Kort-achtig geilneefje en Robert Crumb-nerd, als harige hippiepluis, als Koos Koets-achtige celebrity en bolwangig, nostalgisch pyjama-jongetje. Als bezeten, zweetdruppels-spetterende tekenaar en parmantig woordgrapmaker, als dronken vod en mistroostig krabbelaar-om-den-brode.

,,Als ik een portret moet maken, begin ik doorgaans met de ogen'', vertelt Pontiac in de tuin van expositieruimte de Zanderzaal in Haarlem, waar ter gelegenheid van de Stripdagen een overzichtstentoonstelling van zijn werk is ingericht. ,,Maar bij die kleine, snelle portretjes begin ik met de lange, smalle vorm van mijn gezicht. Het bevreemdt mensen vaak dat ik mezelf ook schuin van achteren kan tekenen. Maar ik draai daar mijn hand niet voor om. Het zal wel komen doordat ik zo'n doorgedraaid egocentrist ben.''

De vloer in de Zanderzaal is van hout, het plafond is hoog, rondlopen levert het hol geklak van hakken op. Dat bevalt hem, zegt Pontiac binnen: ,,Het is hier echt museum-achtig, dat geeft me een kick.''

Tegencultuur

Het lijkt hem te verbazen, terwijl hij over erkenning toch nooit te klagen heeft gehad. Sinds in de jaren zeventig getekende verslagen van zijn leven aan de zelfkant verschenen in `underground'-bladen als Tante Leny Presenteert en Aloha, geldt hij als held van de subcultuur. Tegelijk is hij, sinds de omhelzing van diezelfde tegencultuur door de mainstream, maar vooral na publicatie van de beeldroman Kraut over het collaboratie-verleden van zijn vader, een boegbeeld van de volwassen stripcultuur. Hij is het Nederlandse antwoord op de serieuze, literaire strips van Art Spiegelman (wiens Maus Pontiac tot Kraut inspireerde) en Will Eisner. In 1997 ontving Pontiac de beide grote stripprijzen die Nederland rijk is, de Stripschapprijs en de Professor Pi-prijs. Hij is een veelgevraagd illustrator, onder meer voor deze krant. Maar Pontiac is autodidact, en dat zorgt dat hij zich niet altijd even gelegitimeerd voelt.

,,Tekenen geeft mij een soort tweedehands ervaring'', zegt hij. ,,Ik probeer het altijd te doen zoals ik denk dat mensen die heel goed kunnen tekenen het doen. Als ik een tekening geslaagd vind, denk ik: `net echt'. Dat dateert van vroeger, en het is nooit veranderd. Ik heb sterk het idee dat iedereen die zich erop zou toeleggen dit ook zou kunnen. Ik zie mezelf als een handig ventje.''

Vandaar misschien dat zijn tekeningen zo overvol zijn. ,,Mijn horror vacui heeft te maken met onzekerheid. Ik vind het niet snel goed genoeg; overal moet wat te zien zijn. Bovendien: wat is mooier dan een tekening waarop veel te zien is? Hoewel, sommigen worden daar juist gek van. `Op jouw tekeningen is alles even belangrijk', heeft iemand wel eens tegen me gezegd.''

Inderdaad doet Pontiacs werk denken aan middeleeuwse handschriften; woord en beeld vechten om aandacht, tot in de kleinste hoekjes zijn nog tafereeltjes getekend. Vanwaar die documentatiedrift? De tekenaar weet het niet. ,,Ieder vondstje, iedere inval, elke woordgrap, alles moet inderdaad vastgelegd en opgetekend. Ik word soms gek van mijn eigen hersengeknetter.''

We staan voor De Kindermoord uit 1996, een van Pontiacs weinige schilderijen. Het origineel, De Kindermoord uit 1591 van de Haarlemmer Cornelis Cornelisz, hangt aan de overkant van de straat, in het Frans Hals Museum. Op Pontiacs versie figureren – in plaats van Rubensiaanse bilpartijen en anatomische virtuositeit – cameraploegen, Henny Huisman, een Liberiaanse kindsoldaat en Ronald McDonald. Het doek draait om kindermisbruik en kinderexploitatie. Pontiac verzekert zich ervan dat alle details overkomen. Hebben we in de linkerbenedenhoek de chipszak wel gezien, met zijn inhoud van knabbelbare tanks en geweertjes? ,,Er was in die tijd een discussie over een geweld-chip voor in de televisie. Vandaar.''

Het lijkt er vaker op of Pontiac eerst de woordassociatie maakt en vervolgens het beeld. Daarbij speelt tekst een grote rol in zijn werk, en zijn stijl is net zo overvol als zijn tekeningen. Woordspelingen, neologismen en wilde associaties buitelen over elkaar, soms goochelt hij met Latijn: ,,Ik hang graag de would-be intellectueel uit. Nee serieus, ik heb enorme spijt dat ik mijn opleiding niet heb afgemaakt. Ik heb alleen maar mulo, terwijl ik waarschijnlijk best gymnasium had kunnen doen. Ik ben dol op aforismen, vooral die van Montaigne. In het Latijn lijken aforismen en spreuken als in marmer gehouwen, op de één of andere manier geeft dat ze meer waarheid. Net zo geeft het me altijd een goed gevoel als ik een stukje uit de krant bij een tekening plak. Dat schraagt wat ik wil zeggen, het is een steuntje in de rug. Onzin natuurlijk, maar toch.''

Het bevreemdt dat Pontiac in zijn werk schuilt achter krantengezag. Als politiek tekenaar komt hij nog altijd in verzet tegen elke andere vorm van autoriteit. Van de underground in de jaren zeventig verhuisde hij in de jaren tachtig naar de punk- en kraakscene, waar hij met genoegen kapitalistische varkens, fascistoïde ME'ers en consumerende burgers met zijn pen hun plaats wees. De virtuoos Pontiac, blijkt op de tentoonstelling, beheerst ook van het protest alle registers; van dikhouten krakershumor (ME'ers met druipende wapenstok, hun broek op hun schoenen, en de tekst: die stok past ons allemaal), tot de wrange aanklacht tegen vergeefs lijden. Op de tentoonstelling staat Pontiacs `niets-te-etensbord' met op de bodem een afbeelding van een doodgehongerde moeder en kind.

Pontiac behoort niet tot het contingent voormalige hippies en aksievoerders dat anno 2004 zijn twijfel belijdt over de rotsvaste morele zekerheden van toen, zoals de Fransman Olivier Rolin in zijn roman Papieren Tijger of de Italiaan Marco Tullio Giordana in zijn filmepos La Meglio Gioventú. ,,Ik maak mij nog even kwaad over hoe de wereld is ingericht'', zegt Pontiac. ,,Als ik tv kijk, zeg ik vaak tegen mijn lief: schat, brei mij een bivakmuts. Mijn tekeningen hebben nog altijd een sterke morele inslag. Wel denk ik dat de nadruk meer ligt op nadenken. Als ik, zoals begin jaren tachtig, hoor dat krakers, na het zien van een gruwelijke tekening die ik maakte na een bomaanslag in Ierland, afzien van het plegen van een gewelddadige actie, dan ben ik natuurlijk heel tevreden.''

Het gros van het politieke werk kwam terecht in The Pontiac Review deel zes, getiteld `De pen en het zwaard'. In wezen, geeft hij toe, zijn alle delen `dossiers x-11', oftewel zelfportretten. Narcistisch exhibitionisme noemt hij het in het laatste `dossier'. Er loopt een strikte lijn tussen de getekende Pontiac en de echte. De catalogi spelen zich doorgaans af in de voltooid verleden tijd. Er is weinig te vinden over Pontiacs gevoelens, niets over zijn huidige gezin of leefsituatie en ook weinig over zijn werkwijze of inspiratiebronnen, al wordt de ontstaansgeschiedenis van sommige tekeningen wel uitvoerig vastgelegd.

Dossier X-11 kwam moeizaam tot stand, vertelt hij. ,,Oorspronkelijk moest het juist gaan over gevoelens; over de spirituele kanten van het leven. Uiteindelijk is het meer een inventaris geworden van mijn vroege werk, dat ik nu soms totaal hysterisch vind. Dat het zo moeilijk ging, heeft ook te maken met tijd- en concentratiegebrek. Het harde werken van de afgelopen jaren heeft me opgebroken; het afgelopen jaar heb ik bijna niets kunnen doen omdat ik kampte met een burn-out – ik had een gebroken hooivork. Ik ben nu weer aan de gang, maar het voelt nog erg wankel.''

Tien juni moet De krantenpoes af, het Gouden Boekje (geschreven door Nienke Denekamp) waarvoor hij de illustraties maakt. ,,Zelf ben ik met Gouden Boekjes opgegroeid. Mijn favorieten waren De brandweermannetjes, De gele Taxi en vooral: Poes Pinkie. Ik voel het als een grote eer, maar ook een verantwoordelijkheid, dat ik er nu zelf een mag illustreren. Op mij hebben die boekjes indertijd een enorme indruk gemaakt. Het beangstigt me bijna dat mijn illustraties dat nu voor een kind zullen doen.'' Hij wijst op de waarschuwing op de uitvergrote cover van The Pontiac Review deel drie, `Het schaamdeel': Niet geschikt voor minderjarige lezers. ,,Iedereen denkt dat dat ironie is, maar ik meen het serieus. Ik heb er ook voor gezorgd dat er buiten op de deur van de tentoonstelling een bord hangt met daarop de mededeling dat niet alles wat hier te zien is geschikt is voor kinderen zonder begeleiding.''

Peter Pontiac de zachte kindervriend, het is niet een imago dat in de stripwereld snel aanslaat. Maar op Pontiac is het zelfkantimago allang niet meer van toepassing, al was het alleen maar omdat hij al twintig jaar clean is. Toch is het niet vreemd dat de tekenaar nog altijd met underground geassocieerd wordt; hij blijft deze fase van zijn leven immers archiveren.

,,Ik houd daar nu mee op'', zegt hij. ,,Maar het is waar. Ik ben veel met die tijd bezig geweest. Dat komt misschien doordat ik mij nog net zo'n buitenstaander voel als in de tijd dat ik op straat een van de weinigen was met lang haar.''

Net als in de Reviews is Pontiacs werk op de tentoonstelling thematisch gerangschikt; drugs, seks, rock & roll en maatschappelijk engagement komen aan bod, plus het uitgebreide archief dat Pontiac samenstelde over het leven van zijn vader. Pollmann senior werd na een katholieke opvoeding jeugdleider bij het Zwart Front, en bracht de oorlog door als verslaggever van de Waffen SS. Na als collaborateur een straf van vier jaar te hebben uitgezeten, trouwde Pollmann en begon hij een eerzaam bestaan als journalist voor Libelle. In 1978, na de scheiding van Pontiacs moeder, verdween hij onder nooit opgehelderde omstandigheden. Voor het laatst werd hij gezien in de Curaçaose Daaibooibaai.

Het origineel van Pontiacs tekening van die baai hangt in de kelder, in prachtig ecolineblauw. Van dichtbij is te zien hoe de baai eerst leeg was, en hoe Pontiac er bij nader inzien een heel klein vadertje, tot aan zijn knieën in het water, heeft bijgeplakt. ,,De baai was leeg en aanvankelijk ook vlammend rood'', vertelt hij. ,,Bij uitgeverij Podium, waar ik Kraut publiceerde, vonden ze dat ik hem blauw moest maken. Ik was bang dat de tekening op een toeristenfolder zou gaan lijken, en heb mijn vader er toen bijgeplakt. Nu bevalt het me wel. De tekening intrigeert, maar geeft niet alles weg.''

In 2000, na het verschijnen van Kraut, ging Pontiac op uitnodiging van de VPRO zelf een kijkje nemen in de Daaibooibaai. ,,De nacht nadat ik daar geweest was, droomde ik over mijn vader. Hij stond tegenover me, en waar wij elkaar in het echte leven nooit aanraakten, omhelsde hij mij nu. Onze borstbeenderen ketsten tegen elkaar. Ik werd zwaar geëmotioneerd wakker. Het was een ingrijpende ervaring, die voor mij echt een punt achter dat boek heeft gezet.''

Dat betekent niet dat Pontiac ophield met archiveren. Integendeel, hij zou juist nog graag een appendix maken bij Kraut. ,,Er is naderhand nog van alles opgedoken. Frontbrieven van mijn vader, maar ook tekeningen van Erich Mühsam, de joodse, pacifistische dichter die ik in het boek tegenover mijn vader plaats.''

Door de chaos waarin Pontiac zijn materiaal doorgaans presenteert, lijkt het alsof hij toevallig stuit op zijn materiaal. De bladen van de Reviews ogen als boordevolle lades vol persoonlijke spullen, waar de lezer naar believen in mag graaien. ,,Mijn atelier is vol met schuivende stapels papier. Ik gooi nooit iets weg. Dat kan ik werkelijk niet. Onder mijn bureau staat een doos met alle brieven die ik ooit gekregen heb. Als iemand is gaan zitten om voor jou met een lief gevoel iets te schrijven, dan kun je dat niet zo wegdoen. Een uitzondering maak ik alleen voor de allerlulligste kerstkaarten en mijn allervaagste schetsen. Verder gaan al mijn schetsen op een stapel. Misschien heeft mijn lief er nog iets aan als ik er niet meer ben, want ik heb verder geen enkele pensioenvoorziening.

Groentezakjes

,,Dan verzamel ik nog. Als ik al fietsend een plaatje zie liggen, rem ik om het op te rapen. Het kan iets moois zijn. Al tijden verzamel ik groentezakjes – vrienden brengen ze zelfs voor me mee uit het buitenland. Prachtig, al die verschillende lettertypes, en die fruitstillevens. Ik heb verder ook een passie voor afbeeldingen van de Verzoeking van de heilige Antonius. Dat heeft met het schuld- en schaamtecomplex van een katholieke opvoeding te maken. De hypocrisie van dat onderwerp. Mooi heilig, maar als schilder kun je je ondertussen heerlijk uitleven op de verzoekingen in kwestie.''

Hij vertelt hoe hij op de lagere school een test onderging. ,,We moesten een boom tekenen, en toen na een half uur de resultaten werden opgehaald, was bij mij het vonnis: beperkt waarnemingsvermogen. Ik was niet verder gekomen dan de wortel van de boom. Maar ik had wel ieder knoestje en elke kromming getekend.''

Als kind werkte Pontiac met een kroontjespen. ,,Stiften had je niet. Als volwassene werkte ik met een Rothring, daarna met penseel en nu met balpen. Je kunt met een balpen hele fijne lijntjes maken, het is echt een zwaar onderschat instrument.''

Hij heeft gevorderde plannen voor een boek over de dood. ,,Ik heb een speciale, transparante pen van Venetiaans glas die ik daarvoor bewaar. Er zit een spiraal in die pen waar de inkt doorheenloopt. Echt een mooie pen voor zo'n zwaar onderwerp.''

Peter Pontiac Reveals!, tentoonstelling in de Zanderzaal, Groot Heiligland 47, Haarlem. 5 en 6 juni van 10-17u, 12 en 13 juni 12-17u. Inl: www.stripdagenhaarlem.nl