Op de hoge

Liep augustus op zijn einde,

sloot de badmeester de hokjes af,

fietste neuriënd september in.

Niemand was er dan ook bij

dat ik de plank betrad. Ik was

geblinddoekt als een deserteur.

Dit zijn de stappen bang bang bang.

In het Bosbad op de hoge

zweet men het peentje bangverlang.

De zon stond even laag als ik en stond

op punt van zakken in de grond.

Wie mij naar boven had gebracht?

Ach mijn lief. En ik wist: morgen

word ik wakker maar ontkomen

kan ik niet. Uit de schoonspringdroom

ontwaakt men met de schoonspringdroom.

Ik wist: ik maak ze nu dan dus.

De aanstalten. Ik sta precies

zo hoog als nodig om bevreesd te zijn.

Dit is de toegedachte afstand tot

het lussenwevend water doopselzacht.

Het heeft me altijd opgewacht –

maar waarom vrees ik dan ineens het bad

alsof het heel snel leeggelopen is?

Dat ik zo sprong – ik wil, ik wil –

ik vallen zou en niets mij ving?

Uit: Willem Jan Otten, Op de hoge (uitg. G.A. van Oorschot, 2003)

Een `denker, godzoeker, herinneraar, vergroter van tegenstellingen, toekenner van betekenissen' werd Willem Jan Otten (1951) genoemd in een recensie van zijn laatste bundel `Op de hoge'. De romancier, essayist en toneelschrijver, die zich een aantal jaar geleden bekeerde tot het katholicisme, debuteerde in 1973 met de dichtbundel `Een zwaluw vol zaagsel'. Sindsdien publiceerde hij een half dozijn bundels, waarvan de laatste volgens recensent Arie van den Berg vooral gekarakteriseerd worden door `het mysterie en de vragen die dat oproept'. Meer informatie op www.kb.nl/dichters