Na twaalf jaar eenzaamheid

Waarom houdt een mens een dagboek bij? Schrijver/criticus Jacques Kruithof stelt die vraag pas aan de orde op pagina 535 van zijn roman Het slotfeest, die gebaseerd is op dagboekaantekeningen uit de periode augustus 1990 – augustus 1991. Hij laat de vraag beantwoorden door vriend en schrijver Niels, voor wie de Vlaming Paul de Wispelaere model staat. `Je schrijft zoiets teneinde meer van jezelf te weten te komen', laat hij hem zeggen. Maar hij had het antwoord ook kunnen laten geven door Pierre H. Dubois, in de roman Albert Bosgraaf geheten. Dubois' literatuuropvatting kwam er op neer dat reflectie op het eigen schrijverschap en dat van anderen `een der vormen, en misschien de enig geoorloofde, van de autobiografie kan zijn'. `Een dergelijke autobiografie', schreef hij, `is wellicht wat ik het liefst zou willen schrijven'.

Kennelijk heeft deze wens Kruithof geïnspireerd, want Het slotfeest is een geslaagde autobiografische roman in de geest van Dubois, waarin literatuur, schrijven en leven op harmonische manier met elkaar verweven zijn. Hoofdpersoon Melchior vertoont sterke gelijkenis met de erudiete essayist Jacques Kruithof (1947) wiens lust en leven het is te reflecteren op alle vormen van kunst, in het bijzonder op literatuur en muziek.

Melchior besluit een dagboek te gaan bijhouden als hij in de zomer van 1990 voor een dramatisch keerpunt in zijn leven staat. Als gevolg van een reorganisatie van de Amsterdamse lerarenopleiding waar hij met grote hartstocht al twintig jaar als literatuurdocent werkt, wordt hij `boventallig' verklaard én er dient zich na twaalf jaar eenzaamheid een nieuwe liefde aan. Ook de wereld lijkt zich op een keerpunt te bevinden: de Golfoorlog staat op uitbreken, het communisme in Oost-Europa loopt op zijn laatste benen.

Melchior gebruikt zijn dagboek niet alleen om dagelijkse voorvallen op te tekenen. Hij wil niets minder dan een historische periode, de tweede helft van de twintigste eeuw, in één grote greep vanuit zijn persoonlijke geschiedenis neerzetten. Hij blikt terug op zijn gereformeerde jeugd in Rotterdam, onderzoekt zijn beweegredenen om weg te komen uit dat cultuurloze milieu, analyseert zijn honger naar kennis en schoonheid en reflecteert op zijn eigen werk als docent en schrijver.

Relatief weinig aandacht krijgen de jaren zestig waarin hij Nederlands studeerde in Amsterdam aan het instituut dat geleid werd door Garmt Stuiveling. De naam van Stuiveling is met die van zijn uitgever Emile één van de weinige echte namen in de roman, de meeste andere zijn gefingeerd. De reden zal zijn dat Kruithof zeer intieme ervaringen te boek heeft gesteld en rekening heeft willen houden met de privacy van `de mensen die deze onschuldige cahiers van mij bevolken'.

De mistroostige vakgroepvergaderingen over de ontslagdreigingen aan de lerarenopleiding behoren tot de interessantste onderdelen van de roman, vooral dankzij Melchiors bespiegelingen over de teloorgang van het onderwijs, waarin geen plaats meer is voor Bildung, traditie en kennisoverdracht. Taalbeheersing en taalkunde voor melkmuilen die met moeite hun havo-diploma hebben behaald en te beroerd zijn om vijftien boeken per jaar te lezen, zullen op termijn het vak literatuur verdringen.

Wellicht komen in de roman ook fictieve personages voor die Kruithof nodig heeft om zijn visie te geven op ontwikkelingen en gebeurtenissen die zijn generatie mede hebben gevormd, maar waar hij zelf buiten is gebleven. Zo treedt er een oude ex-communist en schrijver op, Joost Maresius, die voor Melchior een gastcollege verzorgt. Joost wordt in verlegenheid gebracht door de vraag waarom de communistische partij niet geprotesteerd heeft tegen de Sovjet-inval in Praag in 1968, maar wie zich die periode herinnert weet dat de CPN die inval juist heeft veroordeeld. Uit zo'n onzorgvuldigheid blijkt dat Kruithof `zijn tijd' niet in alle opzichten heeft gevolgd, zoals ook naar voren komt uit foutjes in titels en dateringen van songs van Bob Dylan.

Melchior heeft de jaren zestig en zeventig vooral als seksuele revolutie beleefd en aan zijn losbandige liefdesleven – driehoeksrelaties, een gepassioneerde verhouding met een studente, overspelige collega's – ontleent Het slotfeest zijn spanning. Kruithof vertelt een verhaal nooit in één keer, noch als het over de liefde gaat, noch in het geval van het aangezegde ontslag, zodat je tot de laatste dagboekaantekening moet doorlezen om van deze knappe Bildungsroman de bedoeling te doorgronden.

Zoals meer autobiografische romans – niet zelden een ijdel genre – heeft Het slotfeest ook irritante trekjes. En dan bedoel ik niet eens dat 635 pagina's duidt op een zekere mateloosheid. De irritatie geldt vooral Melchiors humorloze zelfingenomenheid. Over zijn leraarschap, zijn uitnemende literatuuropvatting, zijn smaakvolle oordelen en zijn voortreffelijke capaciteiten als minnaar laat hij geen spoortje van twijfel bestaan. Pas in de laatste zin van het verhaal blijkt hoe dat komt: het dagboek is bedoeld om zich bij zijn nieuwe geliefde te introduceren. Melchior is een pauw en in Het Slotfeest spreidt hij zijn imponerende veren uit.

Jacques Kruithof: Het slotfeest. Atlas, 635 blz. €24,90