Moord op muziek

Onvoorstelbaar is de zorgeloosheid waarmee het kabinet-Balkenende II de Nederlandse orkesten afbreekt, hen wurgt en aan hun lot overlaat. Bij Defensie worden vier orkesten opgeheven en vervangen door twee kleine fanfares en een harmonie: van de 194 muzikale functies worden er 68 wegbezuinigd. Bij het Muziekcentrum van de Omroep wordt het Radio Symfonie Orkest opgeheven: honderd musici verliezen hun baan. De Raad voor Cultuur stelt voor de overige orkesten en de drie operagezelschappen de komende vier jaar met 4,3 procent te korten.

Bij de krijgsmacht sneuvelen oude tradities, nadat de afgelopen jaren volgens commandant Van Boxtel al sprake was van een ,,langzaam verstikkingsproces''. Martijn Sanders, de directeur van het Amsterdamse Concertgebouw, noemt de opheffing van het Radio Symfonieorkest ,,desastreus''. De orkesten zeggen door jarenlange kortingen en sterk stijgende kosten te vrezen voor de toekomst van de symfonische muziek in ons land.

De gehoorzame commandant, de succesvolle Concertgebouwdirecteur en de keurige symfonische orkesten zijn geen schreeuwers, die lichtzinnig overdrijven. Maar hun serieuze zorgen over het kabinetsbeleid maken in Den Haag geen enkele indruk. De adviezen van de Publieke Omroep en de Raad voor Cultuur, die pleiten voor een andere invulling van de bezuiniging op de omroeporkesten, zijn terzijde geschoven door staatssecretaris Medy van der Laan. De orkesten hebben haar een maand geleden gevraagd om een onderhoud over de ,,dramatische gevolgen'' van de bezuinigingen voor omvang en kwaliteit van hun activiteiten. Dat onderhoud is er nog niet geweest.

De staatssecretaris is doof voor kritiek en wil niet discussiëren. Het aan de Raad voor Cultuur vragen van een nader advies over de orkesten, zoals de orkesten wilden, heeft ze niet gedaan. Dat is een begrijpelijk standpunt van Van der Laan. Voor discussie en voor het bezien van alternatieven in het kunstbeleid zijn immers argumenten nodig, inhoudelijke standpunten, artistieke oordelen. Die zijn er niet. Het enige standpunt in Den Haag is: bezuinigen, ook op kunst en cultuur, verreweg het meeste op de klassieke symfonische muziek en opera.

De Raad voor Cultuur prees alle orkesten en operagezelschappen voor hun prestaties en vervolgens werd voorgesteld om vier jaar lang 4,3 procent op hen te bezuinigen. Van der Laan erkent de hoge kwaliteit van de omroeporkesten, maar ,,kwaliteit staat niet ter discussie''. Ook de bezuinigingen staan bij de D66-bewindsvouw niet ter discussie. D66-fractievoorzitter Dittrich was ooit fel voor een fikse verhoging van het kunstbudget. Maar dat was vorig jaar.

Werd er maar eens gezegd: `Er is te veel muziek'. Dan zou je daar over kunnen debatteren. Beweerde iemand maar: `De orkesten doen hun werk niet goed en spelen vals.' Dan kon worden bezien wat daaraan moest gebeuren of welke straf daarop hoort te staan. Opperde iemand maar eens: `Het is onzin om in de opera mensen tegen elkaar te laten zingen, terwijl ze veel goedkoper met elkaar kunnen praten.' Dan kreeg je een interessante ideeën-uitwisseling over het nut van de muziekdramatische kunst.

Maar dat is allemaal niet het geval. In de klassieke-muziekwereld doet iedereen nu alles uitstekend en dat wordt algemeen onderstreept. Vervolgens wordt in Hilversum toch een orkest opgeheven. En elders wordt de subsidiëring zo ver teruggeschroefd dat kwaliteit en kwantiteit deze langzame wurgmoord niet overleven. Over vier jaar zal de voorspelbare conclusie luiden dat het in de klassieke sector allemaal niet goed gaat en het dus redelijk is de subsidiëring fors te verminderen en weer eens wat orkesten op te heffen.

Orkestmuziek en opera zijn inderdaad ontzettend duur. Het goed functioneren daarvan moet de overheid daarom een grote zorg zijn.